Wat een hufter

Posted at februari 1, 2011 by

Na provo en de bezetting van het Maagdenhuis heeft Nederland de brutale bek geïnstitutionaliseerd. Tussen de brutale bek en het vrije woord werd een gelijkteken geplaatst. (…). Het grofste van het grove (kon) bon ton worden, maar we zijn in Nederland, vrienden, grofheid werd dus ook nog eens plicht.”

De in Utrecht opgegroeide, in Brussel levende Vlaming Geert van Istendael laat er geen misverstand over bestaan: de grofheid die heerst zodra het Hollands Diep in noordelijke richting wordt gepasseerd is hem een gruwel. Van Istendael staat daarin niet alleen. Ook iemand als Martin Bril kon zich groen en geel ergeren aan de verhuftering in het Lage Land. “Een schallende megafoonstem riep: ‘Zwembroek aanhouden op de glijbaan!’
Ik wist meteen dat ik in Nederland was. Nergens anders hebben mensen de behoefte in hun blote gat van de glijbaan te gaan, hun geslachtsdelen te beschadigen en daarna de badmeester te molesteren.”
Weinig verfijning, grof taalgebruik, ruwe omgangsvormen, veel herrie, een voorkeur voor de overtreffende trap, het zijn waarnemingen over het cultuureigene van dit land (in vroeger tijden ‘volkseigene’ geheten) waarvan reizigers uit den vreemde en talloze migranten al sinds de 16e eeuw met enige regelmaat melding maken en waarover ze hun verbazing uitspreken. Het afgelopen jaar werden in het uitgaansleven van Amsterdam verschillende homostellen afgetuigd; in Utrecht troffen homo- en lesbische stellen vernederende leuzen aan op buitenpui en voordeur. Een Nederlands-Marokkaanse vrouw meldde onlangs: “Mijn dochter krijgt te horen dat ze een kutmoslim is, een rot-Marokkaan, we zullen je in elkaar rammen en je moeder doodrijden. Ze is 6 en durft niet meer naar school.”

Bas van Stokkom, als socioloog en filosoof verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en de Vrije Universiteit Amsterdam,heeft over deze treurnis onlangs een fraaie studie gepubliceerd die diepgravend is en geschreven in een verzorgde en toegankelijke taal –een kenmerk dat we vaker aantreffen bij beoefenaren van Elias’ civilisatietheorie (1), ook als de strekking van de beschouwing een nuancering van die theorie betreft.
Zijn boek Wat een hufter! (2) biedt een breed overzicht van kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar publieke omgangsvormen en hun gevolgen. Het behandelt een scala aan sociologische, (sociaal)psychologische en filosofische theorieën over de stand van de publieke moraal in recente jaren. Wat een hufter! beschrijft allereerst de erosie van betamelijkheid (van wat, mijnheer?) en de verloedering van publieke omgangsvormen (verloedering, hoezo, graftak?). Korte lontjes en grove bekken passeren de revue, gevolgd door straattaal (en het ophemelen daarvan), snauwen, dreigen, asociaal gedrag, overassertief ellebogenwerk, hijgerige verongelijktheid, vanzelfsprekende lompheid, op hoge toon respect eisen – want-anders-weet-ik-je-te-vinden, agressie. De bekende staalkaart van klagend, eisend, ergerniswekkend, beledigend en dreigend gedrag.
In zijn in 1997 gepubliceerde Emotionele democratie. Over morele vooruitgang oordeelde van Stokkom “dat het morele klimaat in Nederland opener was geworden.” Een meer onbevangen communicatie en een betere omgang met culturele verschillen beoordeelde hij als positief. Anno 2010 luidt het: “De balans valt nu, na een bewogen decennium, negatiever uit. De publieke moraal is verder verschraald en lompe en brutale omgangsvormen lijken zich verder te hebben verbreid.” (van Stokkom, 2010: 5)

Voor wie zich voor de tekenen van de tijd niet ziende blind en horende doof wil houden zal duidelijk zijn dat boze oogopslag en verongelijkt reageren een gangbare habitus zijn geworden, net zo goed op dorpspleinen als in binnensteden. Streetwise schreeuwen, schelden en de middelvinger heffen hebben een cultstatus aangemeten gekregen. Ecce homo: kwaad over alles en nergens tot een compromis bereid. Snuifje, pilletje en fles vergroten de bereidheid om in deze stijl ‘uit je dak te gaan’ – met Oh, Oh, Cherso als voorlopig maar ongetwijfeld niet definitieve slotakkoord. ‘Uit je dak gaan’ – nog zoiets dat een deel van de mensen is gaan bezien als een onvermijdbaar stadium in de geestelijke ontwikkeling, zoal niet als verworven recht. Mateloze overdrijving en het cultiveren van superlatieven zijn gangbare stijlfiguren geworden. Het bij van alles en nog wat ‘absoluut!’ roepen – bij voorkeur voorzien van een stoet uitroeptekens – is daar een mild voorbeeld van. Iets is niet ‘gevaarlijk’ maar ‘supergevaarlijk’. Door de stad struinen geen straatschoffies maar straatterroristen. Een laag cijfer voor een tentamen stelt niet teleur, het is, zoals ik onlangs uit de mond van een studente hoorde, een ‘goor kutcijfer’, toegekend door een ‘kankerbrakke lul’. Waarom eigenlijk zou je in het publiek over iemand niet mogen zeggen dat die beschikt over het onderstel van een nijlpaard, de oogopslag van een australophiticus en het brein van een pissebed? Het is toch eerlijk te zeggen wat je denkt? Nou dan!

Van Stokkom maakt bij dit alles een essentieel onderscheid tussen verhuftering en verharding, waarbij dit laatste verwijst naar afnemende solidariteit tussen mensen uit verschillende sociale klassen. Opvallend is – anders dan algemeen wordt aangenomen – dat vooral de middenklasse verhardt; een verschijnsel dat hij gevaarlijker acht dan de afname van ‘goede manieren’, zeker in een tijd waarin een neoliberale bezuinigingspolitiek er de voorkeur aan geeft de lasten van de economische crisis te laten dragen door armen en ouderen. Dat neemt niet weg dat hufterig taalgebruik sociale verharding vergemakkelijkt en bevordert: taal is een betekenisstelsel dat sociale betrekkingen kan versoepelen, beperken of in de weg staan. Zoals ijswater in poreus kalksteen, zo kan beledigend taalgebruik kloven slijpen in een labiele samenleving.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Over de vraag hoe vergroving en verharding verklaard kunnen worden lopen de meningen uiteen. Van Stokkom schetst een spectrum van mogelijkheden.

De publicist Van der Lans (van Stokkom, 2010: 47) beklemtoont dat het onderscheid tussen een private en de publieke ruimte steeds vaker wordt opgeheven. ‘Verhuiskamerisering’ noemt hij dat. Het gevolg is dat soepele omgangsvormen uit de privésfeer zowel ten goede als ten kwade gemeengoed worden op straat, op scholen en in contact met hulpverleners. Denk aan je-en en jij-en tegen iedereen, zeggen wat in je opkomt tegen jan-en-alleman, een halve treincoupé van sores met je geliefde laten meegenieten dan wel huiveren, schelden tegen artsen, hinderen van brandweerlieden, bedreigen van agenten.
Socioloog Van den Brink (idem: 49–52) benadrukt de samenhang tussen assertiviteit en narcisme. De maatschappelijke code die voorschrijft ‘op te komen voor eigen belangen’ mondt nogal eens uit in de neiging ongenaakbaar te willen zijn, volmaakt, alles in de hand te willen hebben, met als gevolg dat zelfs de geringste kritiek wordt opgevat als een persoonlijke belediging. Respect wordt niet verworven maar opgeëist. Ze zijn niet langer uitzonderlijk, de mensen “met een kwetsbare hoge eigendunk: personen die een groot ego combineren met een onzekere status zijn het agressiefst.”
De onderzoekers Spangenberg en Lampert (van Stokkom, 2010: 57–62) wijzen op de ‘grenzeloosheid’ van de jonge generatie samenhangend met de bekommernis om ‘eeuwige jeugd’ van hun opvoeders. (3)
Criminoloog Boutellier (idem: 63) meent dat er een protocriminele cultuur is ontstaan: mensen zijn vaak obsessief ontvankelijk geworden voor de kick van normoverschrijdingen.
Filosoof Sloterdijk (idem: 77–80) acht een cynische grondhouding verantwoordelijk voor veel publieke ontregeling – een mentaliteit die wordt opgeroepen door onderwijs dat bezwijkt onder pretenties die het niet kan waarmaken, een overheid die onzorgvuldig handelt, beloften niet nakomt, burgers laat dolen in een moeras van regelgeving, een journalistiek die onwaarachtig is en door opgeklopte berichtgeving zelf hypes in het leven roept, een rechtbank die rechtvaardigheid trivialiseert, het beloven van gouden bergen door politici en beleidsmakers terwijl het verwachten van bescheiden resultaten meer in de rede ligt – een mentaliteit die teleurstelling oproept en een voedingsbodem schept voor ongeremd cynisme.

De socioloog Sennett (idem: 88–90) signaleert de groeiende verharding tussen sociale lagen en verbindt die met uitholling van vakmanschap en het voortdurend vernietigen en scheppen van banen door bindingsloze managers binnen een ‘nieuw kapitalisme’ dat vooral gekenmerkt wordt door ‘winner takes all’ en ‘kill or be killed’. Het gevolg is dat de afstand tussen sociale groeperingen toeneemt, dat vertrouwensbanden verzwakken, achterdocht groeit en de gedachte postvat dat armoede vooral het resultaat is van eigen falen en gebrek aan verantwoordelijkheid in plaats van een tekort aan mogelijkheden. Enzovoort, enzovoort, van Stokkom biedt zicht op een vitrine vol theorieën die tot doordenken stemmen.

In de laatste hoofdstukken van Wat een hufter! slaat van Stokkom een brug tussen de eerder besproken theorieën en twee cruciale vraagstukken in het huidige Nederland, en, hoewel hij die pretentie niet toont, de haar omringende postindustriële wereld. Het eerste vraagstuk betreft de verhouding tussen overheid en boze burgers en hun behoefte aan vergelding; het tweede het ongemak van seculiere intolerantie en de daarmee samenhangende vijandige bejegening van moslims.

Van Stokkom besluit met een pleidooi voor een actieve, niet-ironische rol van beoefenaren van intellectuele en sociale beroepen in het (denken over het) doorbreken van de maatschappelijke status quo. Hoe hij zich dat voorstelt zal ik hier, analoog aan de bespreking van een krimi, niet onthullen. Het beste advies is: lezen, bestuderen, laten bezinken en daarna van eigen commentaar voorzien. Met in het achterhoofd de woorden van Van Istendael: graag met argumenten. Op kalme toon.


Bronvermelding
(1) Civilisatietheorie: een sociologische theorie van Norbert Elias die de toename van affectbeheersing in de loop der eeuwen verklaart vanuit processen van groeiende interdependentie (wederzijdse afhankelijkheden) tussen mensen in een samenleving waarin de staat het monopolie heeft over geweldsuitoefening.
(2) Stokkom, B. van. (2010). Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing. Amsterdam: Boom.
(3) Zie ook het artikel ‘De grenzeloze generatie’ van Hans van den Broek in het nulnummer van VerWeg&Dichtbij, mei 2010, pp. 26-29.

Category : Bespreking