Waar bemoeien jullie je mee?

Posted at november 30, 2011 by

Prudentie in de maatschappelijk werk stage van Annelotte ­Elias.

Bert Steenbeek > De uithuisplaatsing van Patricia in maart 2011 was dé ervaring uit mijn maatschappelijk werk stage in de eerstelijnspsychiatrie. Ze werd aangemeld door een lokaal zorgnetwerk dat weer getipt was door haar woningbouwvereniging. Die wilde haar huis ontruimen vanwege buurtoverlast. Patricia draaide in de avonduren harde muziek, stampte op de grond en gilde. De politie was al verschillende keren ingeschakeld, zonder succes.

Patricia is een bekende in de wereld van de psychiatrie. Ze was acht jaar in behandeling bij een psychiatrische inrichting. In 2008 werd ze ook aangemeld bij mijn stage-instelling, maar ze wilde geen bemoeienis. In 2009 verbleef ze driemaal in een crisiscentrum. Ik lees haar dossier. Een vrouw van 41 jaar. Afkomstig uit een gezin met een oudere broer en een jongere zus. Haar ouders leven nog. Huishoudschool. Ooit gewerkt, nu levend van een WW-uitkering. Liefhebster van kerkmuziek. Gelovig, maar geen kerkgangster. Enige relaties in het verleden gehad, heden geen relatie. Zeer op zichzelf. Uiterst wantrouwig tegenover haar ouders en tegenover bijna elk type hulpverlener.

We gaan op huisbezoek om contact te maken met Patricia. ‘We’, dat zijn de coördinator van het lokaal zorgnetwerk, de verantwoordelijk behandelaar (mijn praktijkbegeleider Nol) en ikzelf. Het is mijn eerste keer, dus ik bezwijk bijna van spanning en opwinding. Patricia doet de deur niet open. Vanuit de woonkamer ziet ze Nol en wordt zichtbaar kwaad. Door de brievenbus spreekt ze wel met de coördinator van het lokaal zorgnetwerk: “De buren hebben mijn katten vermoord. Ze luisteren me af. Ik wil jullie niet meer zien: jullie zijn me aan het stalken. Ga weg, ga weg.” Nol vermoedt dat Patricia op drift is geraakt door het verwaarlozen van haar medicatie. Tijdens de volgende huisbezoeken laat Patricia zich niet of nauwelijks zien. Nol en ik zijn er zeker van dat ze thuis is. Ik loop met flink wat schroom achterom. Een keer zien we haar door de voorruit in de woonkamer. Ze ziet er verzorgd uit. Het interieur maakt van buiten een licht rommelige indruk. Ik zie ook een boekenkast. Voor- en achtertuin zijn niet onderhouden.

De buurt heeft het ondertussen helemaal gehad met Patricia. Men gooit eieren en zand tegen haar ramen. Voor de woningbouwvereniging is de maat vol. De kantonrechter heeft een ontruimingsbevel afgegeven. Patricia is op de hoogte gesteld van de ontruimingsdatum, maar heeft niet gereageerd. Om te voorkomen dat zij op straat komt te staan, vraagt Nol een rechterlijke machtiging aan voor opname van Patricia in een psychiatrische inrichting. De onafhankelijk psychiater schrijft een geneeskundige verklaring. Het psychiatrisch ziekenhuis wordt in verband met de gedwongen opname geïnformeerd over de datum van de ontruiming. Probleem is dat de rechter niet in de gelegenheid is de zaak te beoordelen vóór het moment van de feitelijke ontruiming. Daarom wordt de acute psychiatrische dienst ingeschakeld om tijdens de ontruiming tot een beoordeling voor een inbewaringstelling te komen.

De ontruiming is een gebeurtenis van jewelste. Alleen al het aantal aanwezige ‘partijen’: de consulent van de woningbouwvereniging, een timmerman (die de deur moet forceren als Patricia zelf niet open doet), de deurwaarder, de leden van de acute dienst, twee politieagenten en Nol en ik als maatschappelijk werkers. Patricia’s ouders en haar broer zijn op de hoogte gebracht, maar ze zijn op ons verzoek niet aanwezig. Nol, begeleid door de deurwaarder en de politieagent, doet tegen 11.00 uur een eerste poging om Patricia te spreken. Hij belt meerdere keren aan en praat via de brievenbus, maar een reactie blijft uit. Dan geeft de deurwaarder het sein aan de timmerman om de deur open te maken. Ik word heen en weer geslingerd door tegenstrijdige gevoelens. Ik vind het eigenlijk huisvredebreuk, maar tegelijkertijd besef ik dat Patricia hulp echt nodig heeft. Mij wordt gevraagd om de achterdeur in de gaten te houden om te kijken of Patricia misschien wegloopt. Ik mag haar in dat geval echter niet staande houden. De voordeur zit op het nachtslot en uiteindelijk gaan Nol, de deurwaarder, de mensen van de acute dienst en een politieagent via het geforceerde keukenraam naar binnen, waar ze Patricia boven in bed aantreffen. Ze weet niet wat haar overkomt. Ik sta ondertussen buiten met een politieagente en de woningconsulent. Nol vraagt mij of ik Patricia wil helpen met het pakken van haar spullen, want zij wil niets van hem weten. Even later staan de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige van de acute dienst en ik oog en oog met Patricia. Ze herkent me direct en roept: “Met jullie wil ik niets te maken hebben. Laat me met rust, want ik moet me omkleden.” Daarop trekken wij ons terug.
Na een paar minuten komt ze omgekleed en wel naar beneden en vraagt wat zij allemaal voor spullen mee mag nemen. “Mag ik u daarmee helpen?”, vraag ik direct en voordat ik het weet lopen we samen naar boven. Ze is vriendelijk en rustig. Het lijkt alsof ze zich in de situatie heeft geschikt. Samen hebben we een tas gepakt, spullen uitgekozen en opgevouwen en in de tas gestopt. De deurwaarder vraagt haar wat er met haar spullen in het huis moet gebeuren: vernietigen of naar een opslag voor 13 weken. Patricia wil dat alles wordt opgeslagen. Als de deurwaarder informeert of hij daarover met haar ouders contact kan opnemen, antwoordt Patricia geërgerd: “Dat zijn mijn ouders niet. Ik wil niks met die mensen te maken hebben.”

Ondertussen hebben de mensen van de acute dienst de inbewaringstelling bekrachtigd. De politiebus staat voor de deur te wachten om Patricia eerst naar het politiebureau en daarna naar de psychiatrische inrichting te brengen. De politieagenten dringen erop aan om op te schieten. Patricia wordt nerveus, want ze wil nog van alles en nog wat meenemen. Ik help haar verder, maar dan zeg ik dat ze haar schoenen aan moet gaan doen en echt mee moet komen. Het was net Good Cop, Bad Cop. Uiteindelijk komt ze mee naar buiten en stapt de bus in. “Ik ben blij dat ik hier weg ben, met zulke buren.” De sociaalpsychiatrisch verpleegkundige begeleidt haar tijdens de reis. Nol en ik blijven achter, licht malende.

Tijdens haar verblijf op de gesloten afdeling ga ik bij Patricia op bezoek. Nol is op vakantie. Ik bel van te voren. Patricia is volgens de verpleging aan het fietsen, maar zal terug zijn als ik kom. Ze is er niet. Na een goed half uur wachten nog niet. Ik ga weg. De verpleging vertelt dat de rechterlijke machtiging ondertussen is afgegeven. Patricia’s ouders zijn niet langs geweest. Haar achterdocht tegenover hen en tegenover Nol is nog even sterk.
Na twee weken op de gesloten afdeling wordt Patricia overgeplaatst naar een open afdeling ter voorbereiding op haar resocialisatie. Met Nol ga ik op bezoek. We spreken haar op haar slaapkamer. “Wat komen jullie eigenlijk doen? Waarom bemoeien jullie je met mij?” Nol legt uit dat wij ambulante zorg zijn en dat we na haar klinische opname zullen kijken wat wij voor haar kunnen doen. Patricia neemt dat voor lief: “Ik heb toch geen keuze.” Ze wil zo snel mogelijk een eigen huis, het liefst een flatje. Hoe de ontruiming is gegaan, weet ze nog precies. “Waarom waren jullie daar eigenlijk bij?” Ik leg haar uit dat wij ter ondersteuning van haar kwamen, maar dat het uiteindelijke besluit tot ontruiming bij de woningbouwvereniging lag. Nol vertelt dat hij contact heeft met haar ouders die de opslag van haar spullen hebben betaald. Ze ontkent niet meer dat het haar ouders zijn, maar is wel boos op hen: “Ze hebben gepraat en gelachen met de buren die me weggepest hebben.” Door die buren kon ze ook de tuin niet onderhouden: “Ik wilde niet te lang in de tuin staan, want anders zouden ze me wat aangedaan hebben.”

Het kan zijn dat Patricia opknapt en minder psychotisch wordt van de medicatie en alle psychosociale hulp, zodat zij toch wat ziekte-inzicht zal gaan ontwikkelen. Nu is dat beslist niet het geval en voor de toekomst kan daar ook niet van uitgegaan worden. Het dilemma is: Gaan we mee met de wens van Patricia om weer geheel zelfstandig te wonen met alle risico’s van dien of nemen we de beslissing dat ze beschermd gaat wonen en hulp krijgt wanneer het minder gaat? Mensen kiezen niet voor een psychiatrische stoornis, maar wat is de kwaliteit van leven als je bijna verdrinkt in achterdocht? Uiteindelijk is beschermd wonen geen gevangenis: er zijn regels maar er zijn ook veel vrijheden. Beschermd wonen is kortom voor Patricia de verstandigste vorm van zelfstandigheid. Eén ontruiming is genoeg.

Patricia is al wat minder bozig als Nol en ik haar voor de tweede keer spreken. Terwijl Nol even aan de telefoon is, leg ik nog eens uit dat wij de ontruiming niet in gang gezet hebben. Patricia lijkt daar nu vrede mee te hebben. Ze vertelt uit zichzelf dat ze contact met haar ouders heeft gehad over de opgeslagen spullen. Ze is zichtbaar opgeknapt en redt zichzelf. Binnenkort verhuist ze naar de resocialisatieafdeling, waar ze een jaar kan verblijven. Haar ideaal is en blijft dat flatje voor zichzelf. Volgens de psycholoog van de resocialisatieafdeling is het niet verstandig dat Patricia opnieuw zelfstandig gaat wonen. Dat heeft hij haar ook verteld. Het doel van de resocialisatie zal dus een vorm van beschermd wonen worden.

Echter, als de rechterlijke machtiging afloopt, is het uiteindelijk Patricia die beslist.


Dit verhaal is een bewerking van het Casuïstiekverslag (Rotterdam, juni 2011) en van de paragraaf
‘Het ethisch dilemma’ in het POP/PAP 2 (Rotterdam, juli 2011) van Annelotte Elias.
Wij danken Annelotte voor haar ­toestemming.

Category : Artikel