Verwarrende tijden

Posted at mei 12, 2010 by

Laveren tussen wegkijken, modernismedwang en reconstructie van wat nooit was

Zeker is dat weinig zeker is. Voor het goed en wel doordringt tot Larry Gopnik, suburb antiheld in de film A serious man van de Coen Brothers, heeft zijn vrouw hem verruild voor zijn beste vriend Sy, weigert zijn sociaal wankele broer zijn huis te verlaten, smijten zijn kinderen met geld en kan hij zijn ogen niet losmaken van een buurvrouw met een zwak voor hasj en een voorkeur voor naakt zonnen. En dat is nog maar het begin. Zijn wereld stort ineen. ‘I feel like the carpet ’s been yanked out from under me’, stelt hij vast, meer verbaasd dan boos.

Het is van alle tijden en het kan iedereen gebeuren. Overal. Bijzonder wordt het wanneer grote delen van een bevolking bang zijn de grip op het leven te verliezen onder invloed van onvoorspelbare, anonieme krachten in de publieke sfeer; wanneer zij en masse vrezen dat ieder moment de bodem onder hun bestaan kan worden weggeslagen. Dat alles zich voltrekt op een onoverzienbare schaal en in een onnavolgbaar tempo. Met als uitkomst een tijd vol verwarring: een samenleving die verdeeld is over haar eigen fundament, die in gebreke blijft betekenis te verlenen aan wat zich aan verlies in het klein en in het groot voltrekt. Grote aantallen mensen zijn overgelaten aan zichzelf, tastend, wanhopig en boos op zoek naar houvast – een zoektocht die niet zelden op hoon mag rekenen van de ‘radical chic’ en ‘la gauche caviar’.

Een huizencrisis in de V.S. veroorzaakt een mondiale kredietcrisis, de diepste recessie sinds de jaren 30 van de vorige eeuw. Vooralsnog. Banken vallen. Staten als IJsland Griekenland, Portugal dreigen failliet te gaan. Wie volgt? Wat volgt? Een wolvenroedel – zo typeert een Noorse minister de speculanten op het failliet van Griekenland. Het CDA spreekt van ‘bijna lijkenpikkers’. Tot welke superlatieven moeten critici van EU-beleid dan wel niet hun toevlucht nemen? De bevolking weet dat het de tol van de crisis zal betalen: werkloosheid, beperkingen in het stelsel van verzorgingsarrangementen, langer werken, lagere uitkeringen, hogere ziektekosten,  bezuiniging op studiefinanciering en wat verder al in het vat zit maar vooralsnog aan het oog onttrokken blijft. Rijkman Groenink en Wilco Jiskoot, ooit iconen van de nu met miljarden belastinggeld overeind gehouden ABN (dé Bank!), toucheerden bij hun afscheid gezamenlijk ruim vijftig miljoen euro – om en nabij het bedrag dat de Nederlandse bevolking bijeen bracht om de nood in Haïti te verlichten. En Rijkman? Die tuiniert op zijn landgoed aan de Vecht. Niemand die hem heeft kunnen betrappen op een bedeesde oogopslag of een opspelend geweten. ‘Socialisme voor de banken, kapitalisme voor de rest’, zo noemde iemand het met een mild gevoel voor humor. Voorlopig is de woede over het ongetemde kapitalisme gesmoord. De vraag is hoe lang dat zo blijft.

Kantelende wereldverhoudingen
China – zo luidt de voorspelling – zal in de loop van dit jaar een sterkere economische macht worden dan Japan en loopt zich warm om over een of twee decennia de V.S. als grootmacht nummer 1 van de troon te stoten. Binnen nu en 40 jaar zal – ceteris paribus – de wereldbevolking toenemen van 6,3 naar tenminste 8 en mogelijk 11 miljard bewoners. Er zullen 10, wie weet 15 megasteden in de Derde Wereld zijn met ieder 50 tot 75 miljoen inwoners. ‘Aan de lange periode waarin het Westen de wereld domineerde, komt een einde’ (Dominique Moïsi). Mondiale betrekkingen kantelen. Ze verliezen het vanzelfsprekende. Onder invloed van schaarste en tekort dreigen oorlogen – om water, om voedsel, om toegang tot energiebronnen. Een dreiging die een aanleiding zoekt, een lucifer om bij de verlokking te houden die in ieder sluimert – ‘de behoefte tijdelijk of voor altijd te ontsnappen aan het getemd-zijn’ (Arnon Grunberg).

Instabiele verhoudingen
Een groot deel van de bevolking ziet ‘Den Haag’ als zakkenvullers. Van Den Haag wordt verwacht dat ze ‘hard doorpakken’, maar ook ‘dat ze ons met rust laten’ – een tegenstrijdigheid waarvoor het gros zich blind toont. Politieke verhoudingen zijn uitgesproken instabiel. Nu eens erodeert het politieke midden, dan weer dijt het uit.  Bookmakers gokken op regeringsdeelname van de PVV. Tolerantie en onverschilligheid blijken inwisselbare begrippen.

Kortetermijngeheugens floreren. Lontjes worden korter, woede zoekt een uitweg. De komst van migranten wordt bejubeld en vervloekt: zwartkijkers voorspellen een islamisering van de somberste soort, vrolijke fransen zien nergens een probleem. Wie de nuance zoekt mag blij zijn als hij zich verstaanbaar kan maken. Sociaalpreventief denken is verdacht, de waardering van repressie uitdrukking van de tijdgeest. Als percentage van het BBP geeft Nederland per student in het hoger onderwijs minder geld uit dan vrijwel alle West-Europese landen (Griekenland en Portugal scoren lager). Mbo-leerlingen demonstreren voor meer en goed onderwijs. Zij hekelen evenzeer lege lesroosters en gebrek aan kwaliteit als de onderwijskundige orakeltaal waarmee dat wordt bezongen als verworvenheid binnen het labyrint van 600 ‘uitstroomprofielen’. Opvoedkundige tv-programma’s tonen iedere dag onmacht en teleurstelling van ouders die proberen verantwoord ouderschap te combineren met de eisen van werk en carrière, met verwachtingen van de partner en de onverminderde opdracht tot het voeren van een flitsende levensstijl. Lust for life met de tong op de schoenen, dat is de ware V.O.C.-mentaliteit. Filosofe Joke J. Hermsen stelt daar tegenover: ‘Het klimaat vraagt om minder, de economie om meer, de mens vraagt om vertraging, de samenleving om versnelling’ (Stil de tijd).

Volgens velen overkomt dit alles ons. Het wordt ons aangedaan. ‘Ze’ flikken ons een kunstje. Ze: de elite, de politiek, de grachtengordel, de racisten, de linkse kerk, de macht, de maatschappij, de socialisten, de fascisten, de zwarten, de blanken, kortom: ze, hen, men, nooit we. “We” krijgen het voor onze kiezen – of we nu zonen en dochters zijn van recente migranten of ingezetenen sinds mensenheugenis. Aangewakkerd door processen van uitsluiting en zelfuitsluiting floreert in brede kringen van gevestigden en nieuwkomers het ‘wentelen in slachtofferschap’ (Tariq Ramadan). Een gedeelde passie.
Dat ‘we’ geen invloed hebben is een misvatting. We staan er middenin – in een wereld vol ongelijkheden, in een leven vol ongerijmdheden, in wat stabiel blijft, in wat verandert, in wat afsterft en in wat zich aandient. We zijn deelnemer én getuige, we veroorzaken en we ondergaan, veranderingen voltrekken zich aan ons en wij voltrekken veranderingen om ons, we vallen niet samen met wat verandert en we staan er niet buiten. Wij zijn in de wereld en de wereld is in ons.

Van toen en daar naar hier en nu
Als een lemen reus wankelt in 1968 de dan bekende wereld. Demonstraties in New York, Milaan, Parijs, Tokyo, Praag, Amsterdam, Berkeley, Mexico-stad. Leuzen: ‘La beauté au pouvoir’, ‘Unter dem Pflaster der Strand’. Het vanzelfsprekende houdt op vanzelfsprekend te zijn. In één beeld: in het prestigieuze Parijse lycée Louis le Grand wordt onder een stilstaande klok de leuze geschilderd van een jeugd die genoeg heeft van de platgetreden paden van de ouders: ‘Nous y mettrons le temps’, staat er, ‘wij bepalen wel hoe laat het is’. Grote woorden. Geen klein bier.

Na de viering van de vrijheid volgt de moeizame gang door de instituties. Een langzame weg die uithoudingsvermogen vergt. Veel pogingen verzanden in iets stroperigs, resultaat van het mengen van maximale doelen met een gebrek aan middelen. Niettemin: verhoudingen kantelen op universiteiten en hogescholen, in ziekenhuizen en instellingen voor psychiatrie en welzijnswerk, veranderingen krijgen hun beslag in het apparaat van de rechterlijke macht, de politie, het gevangeniswezen, in theaters, muziekcentra en de wereld van de film. Smaken veranderen. Gevoelens evenzeer. De samenleving is niet langer zoals zij was. De bevelshuishouding is veranderd in een onderhandelingshuishouding (de Swaan). Volgens Pareto’s eeuwige wet van wisseling van elites veranderen vroegere studenten in nieuwe directeuren. Privileges blijven intact, immuun voor egalitaire bezweringsformules in de publieke sfeer en in lijn met borstklopperij over eigen voortreffelijkheid in de private sector.

Bedrijf of ziekenhuis, school, nutsbedrijf of openbaar vervoer: alles diende vanaf de jaren negentig onderworpen te worden aan de tucht van de markt. Patiënten en studenten veranderden – hoepsaheisafaldera – in consumenten. Ziekenhuizen en scholen leverden voortaan producten. Artsen en leraren werden productiemedewerkers. Het reclamewezen nestelde zich met welbehagen in de publieke sector.
De weerbarstige werkelijkheid moest worden getemd. Schaalvergroting, centralisering en uniformering werden de belangrijkste sturingsmechanismen zowel in de private als in de publieke sfeer. In naam van de gelijkheid werd uniformiteit gepredikt. In naam van de uniformiteit standaardisering. In naam van de standaardisering voltrok zich het proces van kwantificering. Centralistisch bestuur en protocollen kregen ruim baan. Top-down- management delegeert de verantwoordelijkheid voor het realiseren van onhaalbare targets bij uitvoerders laag in de organisatie met als gevolg niet aflatende stress en de facto herinvoering van de zesdaagse werkweek (Kratzer). Stroomlijning van het geheel geschiedt volgens procedures, ontsproten aan de geest van protocollendibbuks – de hogepriesters van de technische rede (Habermas) die de verhouding tussen doel en middelen op hun kop zetten. Efficiëntie is de naam van het gouden kalf van de postmoderne manager: meer is beter, hoe groter de organisatie, hoe dichter bij het nirwana. In de thuiszorg verandert een knuffel in ‘disfunctioneel gedrag’, in het onderwijs wordt lesgeven uitgedrukt in minuten en seconden ‘contacttijd’, agenten bekeuren volgens contractafspraken. Volgens het nieuwe paradigma is kwaliteit wat de enquête-uitslag zegt dat kwaliteit is. Tot twee cijfers achter de komma. Veel waar het werkelijk om gaat wordt niet gezien en veel van wat in kaart wordt gebracht is bijzaak. Werkelijkheid en papieren constructie leven parallelle levens – in de verte, op een vage manier heeft men weet van elkaars bestaan. Een spagaat die wordt gemaskeerd met Orwelliaanse newspeak, communicatiecaoutchouc en lijvige rapporten op glanspapier.

Door een wirwar van ontwikkelingen en een carrousel van oorzaken en gevolgen die elkaar aanjagen en in elkaars staart bijten en alle betrokkenen medeplichtig maken, verstart van lieverlee de glimlach van de verbeelding tot een grimas. Niet langer wordt het strand onder het asfalt bloot gelegd, de meeste inspanningen zijn erop gericht het strand te bedelven onder asfalt. Met dank aan een door velen ‘niet herkend maar virulent conformisme’ (Herman Vuijsje).

Wantrouwen, controle en identiteitsconstructies
Wantrouwen en controle geven de toon aan. Wantrouwen genereert wantrouwen. Binnen ongelijke machtsverhoudingen houdt iedereen iedereen in een houdgreep. Vertrouwen in onderlinge betrekkingen wordt veelal met evenveel afgrijzen bezien als een incestueus huwelijk tussen Malle Mieke en Harige Henkie. Aan georganiseerd wantrouwen wordt inmiddels meer geld uitgegeven dan het misbruik van vertrouwen kost, vuistdikke en slechts voor ingewijden te doorgronden gedragscodes stapelen zich op. Fortissimo klinkt alom de klaagzang over de gruwel van de bureaucratie. Binnen menig megalomaan instituut zijn de verhoudingen die van partijen en sentimenten die wederzijds zijn  veroordeeld tot quasiopenheid en pseudo-interesse achter het rookgordijn  ‘transparantie’. Algemeen is het gevoel dat deze gang van zaken schuurt en knarst en op  haar grenzen is gestuit: nog groter, nog meer controle, nog meer wantrouwen? Tempo maken in een doodlopende straat, daar komt het op neer.

Binnen een halve eeuw voltrok zich in het denken over het publieke domein bij velen de omslag van ‘wij maken het verschil’ naar ‘wij doen er niet toe’. Bij gebrek aan betekenis in de publieke sfeer raakte de privéruimte vervuld van almachtsfantasieën en narcistische eigendunk – een habitus die al snel delen van de publieke sfeer annexeerde: uitgaansleven, ziekenhuizen, scholen. Ik eis respect. Voorrang voor mij. Dat maak ik zelf wel uit. ‘Fuck you: I want it all and I want it now!’ In een vocabulaire dat een voorkeur voor drieletterwoorden hand in hand laat gaat met een voorliefde voor verwensingen in de sfeer van besmettelijke ziektes. ‘Krijg de tyfuskanker kuthoer’, is daarvan een  alleszins gangbare variant. Taal is immers ook ‘van mijn eigen’.

In verwarring door de omvang van maatschappelijke veranderingen, ontsteld door de snelheid daarvan, uit het lood geslagen door de mate waarin ze ingrijpen, onzeker over de eigen betekenis, bevreesd voor de toekomst proberen mensen orde en samenhang te scheppen in het heden met de middelen van het verleden. Dit geldt in het bijzonder voor hen die veel te verliezen hebben en weinig te winnen. Met de rug naar de toekomst wordt een verleden gekoesterd dat nooit heeft bestaan. Met ongebreidelde fantasie en knip- en plakwerk op internet worden verledens geconstrueerd die ontspruiten aan (post) moderne breinen. In ‘herzuiling’ van de omroepen schuilt de toekomst van het omroepbestel, aldus Hilversumse omroepbazen. Verkiezingsaffiches verdedigen de ‘eigen identiteit van Rijswijk’. Retroarchitectuur, retrodisco en retromode steken de kop op, zo goed als een hang naar reconstructie van Nederlandse identiteit (maar zonder breiwerkje en zondagmiddagverveling) en ‘allochtone identiteit’ (maar zonder armoede en tanden trekken zonder verdoving), zo goed als salafistische dromen (zonder veroveringsoorlog en een rantsoen van ezelinnenmelk) en Bijbelse visioenen van rechtvaardigheid (zonder Jodenpogrom en Saracenenvervolging). Terug naar de tijd dat alles nog heel gewoon was, een met rozerood pastel ingekleurde tijd. Dit alles om de onzekerheid op te heffen. Om twijfel te smoren in eenduidigheid. Om het razende denken een halt toe te roepen.

Daarom behoren identiteiten gehouwen te zijn uit één brok graniet. Tegen het voortjakkeren van de tijd staat het onveranderlijke ‘zó ben ik’, tegenover opkomst en ondergang van culturen het gestolde ‘zó is het’. De gedachte dat identiteiten veranderlijk zijn en divers, even vloeibaar als de stroom van Herakleitos – het is vloeken in de kerk van de ééndimensionaliteit. Een vrouw met de Nederlandse nationaliteit, gehecht aan Rotterdam, van geloof moslimse, fan van Fehnerbace en van beroep paleontologe – velen die zich verslikken in zo’n voorbeeld van een meervoudige en meerduidige identiteit. Iemand is Nederlander of Marokkaan. Turk of Antilliaan. Nederlandse homohaters bestaan niet en Eritrese alcoholisten en Palestijnse atheïsten evenmin. En als ze wel bestaan moeten ze snel kiezen: het één of het ander. Het is God of de Mammon. Wat vloeibaar is moet stollen. Wat verandert moet stilstaan. Ultimo ratio: de Nederlandse taal verankeren in de grondwet. Het zijn pogingen de toekomst terug te leven. Het heden te normeren naar spiegelbeelden van het verleden. Een verleden bijeengeknutseld uit de meccanodoos van een mythische kindertijd. Verleden als toekomst. Toekomstangst als nationaal sentiment.

‘De tijden zijn slecht, maar wij zijn de tijden’ (Augustinus)
Om en nabij vijftig jaar geleden begon het met een droom over een verenigde universele mensheid, op weg naar een conflictvrij bestaan. Het eindigt – althans voorlopig – met twijfel aan het bestaande en angst voor de toekomst. Wat is van belang? Wat staat ons te wachten? De voluntaristische gedachte dat mens, leven en samenleving kneedbaar zijn als pottenbakkersklei heeft plaats gemaakt voor of blind doordrammen of iets dat het midden houdt tussen minimalisme en fatalisme: wat wij doen helpt heel misschien een heel klein beetje – je hebt alleen geen idee waarbij. Voor diehards in het zwartgallige is de toekomst iets wat ons overkomt als het lot in een Griekse tragedie: het voltrekt zich, we ondergaan het. Het gevolg: angst voor de ondergang van het bekende en het vanzelfsprekende, voor het verlies van het geliefde. Angst voor anonieme individuen en abstracte machten, angst voor de onkenbare toekomst, voor de grenzeloze leegte en de mateloze tijd die ons aanstaren.

Waakzaamheid heet het gebied tussen alarmisme en wegkijken, tussen het aankondigen van de eindtijd en het schouderophalend oplossen van problemen door het bestaan ervan te ontkennen. Of: witwasluiheid van het soort: vroeger was het nog erger, elders nog beroerder. Veel lessen heeft de geschiedenis ons niet te bieden, maar deze wel: waar economische, maatschappelijke, culturele en politieke crises samenkomen en elkaars werking verhitten, daar is waakzaamheid geboden. Wanneer de kloof tussen sociale klassen zich verbreedt, diepe verwarring heerst over wat binnen de cultuur als betekenisvol moet worden gezien en wat als marginaal, wanneer de ander en het vreemde als bedreigend worden ervaren en het eigene en het bekende worden verheven tot maatstaf voor een wederzijdse indeling in goed en slecht binnen een bipolaire samenleving, wanneer het vertrouwen in gevestigde instituties verdampt en schamperen wordt verheven tot converseerstijl, wanneer regering, parlement en instituties de tijd slecht verstaan en de noden van mensen tegemoettreden met onbegrip, afkeuring of hoon, wanneer bovendien het parlementaire ethos van verder liggende doelen nastreven en onderweg compromissen sluiten wordt beoordeeld als slapjanussengedoe van een zichzelf verrijkende klasse – een kluwen die kan worden ontward met kracht&daad&heldendom&messiaans leiderschap – dan is het verstandig ogen en oren open te houden. Te wíllen horen. Te dúrven zien. Vooral dat wat liever niet gehoord en gezien wordt.

In het onvoorspelbare zit de vrijheid van de mens.
Mensen zijn naar hun aard ten diepste én individuele én sociale wezens. Waar het individuele beknot wordt omdat collectieve dwang hen ‘opsluit in hun cultuur’ (Finkielkraut), verlangen mensen naar vrijheid voor het eigene en het bijzondere. Als het niet anders kan beleven zij dat in het duister, als ‘innere Migration’. Waar het sociale onder druk komt te staan, zullen mensen zoeken naar herstel van betekenisvolle verbintenissen met anderen, zowel in de private sfeer van het kleine als in het publieke domein van het grote. Religie, traditie, cultuur, identiteit zijn in het huidige discours wegen die herstel nastreven van gemeenschappelijkheid door het ontwerpen van een geïdealiseerd verleden: het morsige wordt uitgewist, het aangename uitvergroot, het gefabuleerde toegevoegd. Geïdealiseerde verledens zijn in het heden splijtzwammen en recepten voor onoverzienbare conflicten. Waarmee van Kooten en de Bie’s Positivo’s de draak staken, dreigt opnieuw. Bevolkingsgroepen die elkaar toeroepen: ‘Onze God die is de beste, onze God is kampioen’. Niet als camp maar in ernst. Vervang desgewenst God door traditie of cultuur. We zijn bekend met de gevolgen van rassenwaan, klassenwaan en vrije marktwaan (de Swaan). Laten we ervoor waken cultuurwaan aan dit rijtje te moeten toevoegen.

In de komende decennia zullen zonder enige twijfel vraagstukken rond migratie en integratie een centrale plaats opeisen in het maatschappelijk debat en in de politieke besluitvorming – in Nederland, in Europa, in de wereld. Conflicten binnen en tussen sociaal en etnisch diverse groepen zullen pijn blijven doen en woede oproepen. Gratuite oplossingen bestaan niet. De houdbaarheidsdatum van semantische bezweringsformules is voorbij. We hebben te maken met werkelijke, langdurige en diep ingrijpende processen, met lastig te voorziene gevolgen die met sociale technologie alleen niet beheersbaar zullen zijn – of misschien wel juist niet. Wat is het alternatief? ‘Les Grands Récits sont passés’, beweren postmodernisten, de grote verhalen (religies, ideologieën) hebben afgedaan. Dat geldt evenzeer voor het Grote Verhaal van het Falen van Grote Verhalen. Een lege toekomst is geen alternatief voor een geromantiseerd verleden, een dorre vlakte niet iets om naar uit te zien. Wanneer mensen ronddraaien in doelloze cirkels of als hazen terugrennen naar waar ze vandaan komen, verandert de toekomst in een desolate bestemming.

Zonder bezieling redden we het niet. Verlamming is geen antwoord op een al te naïef beleden vooruitgangsgeloof. Het angstvisioen van totalitaire utopieën hoeft het omarmen van idealen niet in de weg te staan – wel graag meer bescheiden en volmondig dialogisch. ‘What’s wrong with a little bit of love, peace, and understandig?’, zong Elvis Costello in het duister van de jaren 80. In Ae fond kiss toont filmer Ken Loach de hedendaagse variant van Romeo en Julia in de personen van Pakistaanse moslim Casim en de Iers-katholieke Roisin – en hoeveel obstakels hun liefde in de weg staan.

Voor wie zich niet wil laten opsluiten in fabelculturen of zich niet willoos wil onderwerpen aan de moderne dwang tot uniformering zit er weinig anders op dan de weg in te slaan van het ontwerpen van een gedeelde toekomst: een land van aankomst voor nieuwkomers én gevestigden, een land waar rechtvaardigheid én vrijheid centrale waarden zijn, waar ‘het recht van de een de plicht is van de ander’ (Paul Scheffer).  Een natie waar vanuit een gedeeld besef van het belang van een gemeenschappelijke publieke ruimte mensen in de privésfeer in staat zijn binnen een waaier aan groepsbindingen – met inachtneming van grondwet en rechtstaat – het leven te leven dat zij wensen te leven: als burger, als groepslid, als individu.

Democratie is meer dan een telraam met als uitkomst ‘the winner takes all’. Grondrechten van minderheden zijn ononderhandelbaar en daarmee ook rechten van minderheden bínnen minderheden, zoals ook het recht van de kleinst denkbare minderheid, het individu (Dick Pels). In de woorden van Imre Kertész, Nobelprijswinnaar en als veertienjarige bevrijd uit Buchenwald: radicale individualiteit is een geboorterecht. Nodig zijn radicale tolerantie en moedige gesprekken in plaats van onverschilligheid als bindmiddel tussen uiteenlopende levensstijlen en belangen. Met open ruimtes in plaats van geschutsstellingen van waaruit men elkaar bestookt vanuit de echoput van het onwankelbare eigen gelijk. In plaats van gemakzuchtig cynisme als bron waaraan teleurgestelde romantici zich bedrinken. Er is alle reden om bij de tijd te zijn. En alle reden zich daarbij niet neer te leggen. Iedere tijd is tijdelijk. Waarom niet – met vallen en opstaan – beginnen met een zoektocht naar schaduwplekken die ons beschermen tegen de hitte van het gemoed? Het soort schaduwplek waar Larry Gopnik zijn wonden kan likken en kracht verzamelen voor wat hij vanaf nu van het leven gaat maken. Wat deze zoektocht zal voortbrengen? Niemand die het weet. Misschien is dat maar goed ook. Zoals grande dame Hannah Arendt het verwoordt: ‘In het onvoorspelbare zit de vrijheid van de mens.’ Onder het asfalt wacht nog steeds het strand.

Zeker is dat weinig zeker is. Voor het goed en wel doordringt tot Larry Gopnik, suburb antiheld in de film A serious man van de Coen Brothers, heeft zijn vrouw hem verruild voor zijn beste vriend Sy, weigert zijn sociaal wankele broer zijn huis te verlaten, smijten zijn kinderen met geld en kan hij zijn ogen niet losmaken van een buurvrouw met een zwak voor hasj en een voorkeur voor naakt zonnen. En dat is nog maar het begin. Zijn wereld stort ineen. ‘I feel like the carpet ’s been yanked out from under me’, stelt hij vast, meer verbaasd dan boos.
Het is van alle tijden en het kan iedereen gebeuren. Overal. Bijzonder wordt het wanneer grote delen van een bevolking bang zijn de grip op het leven te verliezen onder invloed van onvoorspelbare, anonieme krachten in de publieke sfeer; wanneer zij en masse vrezen dat ieder moment de bodem onder hun bestaan kan worden weggeslagen. Dat alles zich voltrekt op een onoverzienbare schaal en in een onnavolgbaar tempo. Met als uitkomst een tijd vol verwarring: een samenleving die verdeeld is over haar eigen fundament, die in gebreke blijft betekenis te verlenen aan wat zich aan verlies in het klein en in het groot voltrekt. Grote aantallen mensen zijn overgelaten aan zichzelf, tastend, wanhopig en boos op zoek naar houvast – een zoektocht die niet zelden op hoon mag rekenen van de ‘radical chic’ en ‘la gauche caviar’.
Een huizencrisis in de V.S. veroorzaakt een mondiale kredietcrisis, de diepste recessie sinds de jaren 30 van de vorige eeuw. Vooralsnog. Banken vallen. Staten als IJsland Griekenland, Portugal dreigen failliet te gaan. Wie volgt? Wat volgt? Een wolvenroedel – zo typeert een Noorse minister de speculanten op het failliet van Griekenland. Het CDA spreekt van ‘bijna lijkenpikkers’. Tot welke superlatieven moeten critici van EU-beleid dan wel niet hun toevlucht nemen? De bevolking weet dat het de tol van de crisis zal betalen: werkloosheid, beperkingen in het stelsel van verzorgingsarrangementen, langer werken, lagere uitkeringen, hogere ziektekosten,  bezuiniging op studiefinanciering en wat verder al in het vat zit maar vooralsnog aan het oog onttrokken blijft. Rijkman Groenink en Wilco Jiskoot, ooit iconen van de nu met miljarden belastinggeld overeind gehouden ABN (dé Bank!), toucheerden bij hun afscheid gezamenlijk ruim vijftig miljoen euro – om en nabij het bedrag dat de Nederlandse bevolking bijeen bracht om de nood in Haïti te verlichten. En Rijkman? Die tuiniert op zijn landgoed aan de Vecht. Niemand die hem heeft kunnen betrappen op een bedeesde oogopslag of een opspelend geweten. ‘Socialisme voor de banken, kapitalisme voor de rest’, zo noemde iemand het met een mild gevoel voor humor. Voorlopig is de woede over het ongetemde kapitalisme gesmoord. De vraag is hoe lang dat zo blijft.

Kantelende wereldverhoudingen
China – zo luidt de voorspelling – zal in de loop van dit jaar een sterkere economische macht worden dan Japan en loopt zich warm om over een of twee decennia de V.S. als grootmacht nummer 1 van de troon te stoten. Binnen nu en 40 jaar zal – ceteris paribus – de wereldbevolking toenemen van 6,3 naar tenminste 8 en mogelijk 11 miljard bewoners. Er zullen 10, wie weet 15 megasteden in de Derde Wereld zijn met ieder 50 tot 75 miljoen inwoners. ‘Aan de lange periode waarin het Westen de wereld domineerde, komt een einde’ (Dominique Moïsi). Mondiale betrekkingen kantelen. Ze verliezen het vanzelfsprekende. Onder invloed van schaarste en tekort dreigen oorlogen – om water, om voedsel, om toegang tot energiebronnen. Een dreiging die een aanleiding zoekt, een lucifer om bij de verlokking te houden die in ieder sluimert – ‘de behoefte tijdelijk of voor altijd te ontsnappen aan het getemd-zijn’ (Arnon Grunberg).
Instabiele verhoudingen
Een groot deel van de bevolking ziet ‘Den Haag’ als zakkenvullers. Van Den Haag wordt verwacht dat ze ‘hard doorpakken’, maar ook ‘dat ze ons met rust laten’ – een tegenstrijdigheid waarvoor het gros zich blind toont. Politieke verhoudingen zijn uitgesproken instabiel. Nu eens erodeert het politieke midden, dan weer dijt het uit.  Bookmakers gokken op regeringsdeelname van de PVV. Tolerantie en onverschilligheid blijken inwisselbare begrippen.
Kortetermijngeheugens floreren. Lontjes worden korter, woede zoekt een uitweg. De komst van migranten wordt bejubeld en vervloekt: zwartkijkers voorspellen een islamisering van de somberste soort, vrolijke fransen zien nergens een probleem. Wie de nuance zoekt mag blij zijn als hij zich verstaanbaar kan maken. Sociaalpreventief denken is verdacht, de waardering van repressie uitdrukking van de tijdgeest. Als percentage van het BBP geeft Nederland per student in het hoger onderwijs minder geld uit dan vrijwel alle West-Europese landen (Griekenland en Portugal scoren lager). Mbo-leerlingen demonstreren voor meer en goed onderwijs. Zij hekelen evenzeer lege lesroosters en gebrek aan kwaliteit als de onderwijskundige orakeltaal waarmee dat wordt bezongen als verworvenheid binnen het labyrint van 600 ‘uitstroomprofielen’. Opvoedkundige tv-programma’s tonen iedere dag onmacht en teleurstelling van ouders die proberen verantwoord ouderschap te combineren met de eisen van werk en carrière, met verwachtingen van de partner en de onverminderde opdracht tot het voeren van een flitsende levensstijl. Lust for life met de tong op de schoenen, dat is de ware V.O.C.-mentaliteit. Filosofe Joke J. Hermsen stelt daar tegenover: ‘Het klimaat vraagt om minder, de economie om meer, de mens vraagt om vertraging, de samenleving om versnelling’ (Stil de tijd).

Volgens velen overkomt dit alles ons. Het wordt ons aangedaan. ‘Ze’ flikken ons een kunstje. Ze: de elite, de politiek, de grachtengordel, de racisten, de linkse kerk, de macht, de maatschappij, de socialisten, de fascisten, de zwarten, de blanken, kortom: ze, hen, men, nooit we. “We” krijgen het voor onze kiezen – of we nu zonen en dochters zijn van recente migranten of ingezetenen sinds mensenheugenis. Aangewakkerd door processen van uitsluiting en zelfuitsluiting floreert in brede kringen van gevestigden en nieuwkomers het ‘wentelen in slachtofferschap’ (Tariq Ramadan). Een gedeelde passie.
Dat ‘we’ geen invloed hebben is een misvatting. We staan er middenin – in een wereld vol ongelijkheden, in een leven vol ongerijmdheden, in wat stabiel blijft, in wat verandert, in wat afsterft en in wat zich aandient. We zijn deelnemer én getuige, we veroorzaken en we ondergaan, veranderingen voltrekken zich aan ons en wij voltrekken veranderingen om ons, we vallen niet samen met wat verandert en we staan er niet buiten. Wij zijn in de wereld en de wereld is in ons.

Van toen en daar naar hier en nu
Als een lemen reus wankelt in 1968 de dan bekende wereld. Demonstraties in New York, Milaan, Parijs, Tokyo, Praag, Amsterdam, Berkeley, Mexico-stad. Leuzen: ‘La beauté au pouvoir’, ‘Unter dem Pflaster der Strand’. Het vanzelfsprekende houdt op vanzelfsprekend te zijn. In één beeld: in het prestigieuze Parijse lycée Louis le Grand wordt onder een stilstaande klok de leuze geschilderd van een jeugd die genoeg heeft van de platgetreden paden van de ouders: ‘Nous y mettrons le temps’, staat er, ‘wij bepalen wel hoe laat het is’. Grote woorden. Geen klein bier.
Na de viering van de vrijheid volgt de moeizame gang door de instituties. Een langzame weg die uithoudingsvermogen vergt. Veel pogingen verzanden in iets stroperigs, resultaat van het mengen van maximale doelen met een gebrek aan middelen. Niettemin: verhoudingen kantelen op universiteiten en hogescholen, in ziekenhuizen en instellingen voor psychiatrie en welzijnswerk, veranderingen krijgen hun beslag in het apparaat van de rechterlijke macht, de politie, het gevangeniswezen, in theaters, muziekcentra en de wereld van de film. Smaken veranderen. Gevoelens evenzeer. De samenleving is niet langer zoals zij was. De bevelshuishouding is veranderd in een onderhandelingshuishouding (de Swaan). Volgens Pareto’s eeuwige wet van wisseling van elites veranderen vroegere studenten in nieuwe directeuren. Privileges blijven intact, immuun voor egalitaire bezweringsformules in de publieke sfeer en in lijn met borstklopperij over eigen voortreffelijkheid in de private sector.
Bedrijf of ziekenhuis, school, nutsbedrijf of openbaar vervoer: alles diende vanaf de jaren negentig onderworpen te worden aan de tucht van de markt. Patiënten en studenten veranderden – hoepsaheisafaldera – in consumenten. Ziekenhuizen en scholen leverden voortaan producten. Artsen en leraren werden productiemedewerkers. Het reclamewezen nestelde zich met welbehagen in de publieke sector.
De weerbarstige werkelijkheid moest worden getemd. Schaalvergroting, centralisering en uniformering werden de belangrijkste sturingsmechanismen zowel in de private als in de publieke sfeer. In naam van de gelijkheid werd uniformiteit gepredikt. In naam van de uniformiteit standaardisering. In naam van de standaardisering voltrok zich het proces van kwantificering. Centralistisch bestuur en protocollen kregen ruim baan. Top-down- management delegeert de verantwoordelijkheid voor het realiseren van onhaalbare targets bij uitvoerders laag in de organisatie met als gevolg niet aflatende stress en de facto herinvoering van de zesdaagse werkweek (Kratzer). Stroomlijning van het geheel geschiedt volgens procedures, ontsproten aan de geest van protocollendibbuks – de hogepriesters van de technische rede (Habermas) die de verhouding tussen doel en middelen op hun kop zetten. Efficiëntie is de naam van het gouden kalf van de postmoderne manager: meer is beter, hoe groter de organisatie, hoe dichter bij het nirwana. In de thuiszorg verandert een knuffel in ‘disfunctioneel gedrag’, in het onderwijs wordt lesgeven uitgedrukt in minuten en seconden ‘contacttijd’, agenten bekeuren volgens contractafspraken. Volgens het nieuwe paradigma is kwaliteit wat de enquête-uitslag zegt dat kwaliteit is. Tot twee cijfers achter de komma. Veel waar het werkelijk om gaat wordt niet gezien en veel van wat in kaart wordt gebracht is bijzaak. Werkelijkheid en papieren constructie leven parallelle levens – in de verte, op een vage manier heeft men weet van elkaars bestaan. Een spagaat die wordt gemaskeerd met Orwelliaanse newspeak, communicatiecaoutchouc en lijvige rapporten op glanspapier.
Door een wirwar van ontwikkelingen en een carrousel van oorzaken en gevolgen die elkaar aanjagen en in elkaars staart bijten en alle betrokkenen medeplichtig maken, verstart van lieverlee de glimlach van de verbeelding tot een grimas. Niet langer wordt het strand onder het asfalt bloot gelegd, de meeste inspanningen zijn erop gericht het strand te bedelven onder asfalt. Met dank aan een door velen ‘niet herkend maar virulent conformisme’ (Herman Vuijsje).

Wantrouwen, controle en identiteitsconstructies
Wantrouwen en controle geven de toon aan. Wantrouwen genereert wantrouwen. Binnen ongelijke machtsverhoudingen houdt iedereen iedereen in een houdgreep. Vertrouwen in onderlinge betrekkingen wordt veelal met evenveel afgrijzen bezien als een incestueus huwelijk tussen Malle Mieke en Harige Henkie. Aan georganiseerd wantrouwen wordt inmiddels meer geld uitgegeven dan het misbruik van vertrouwen kost, vuistdikke en slechts voor ingewijden te doorgronden gedragscodes stapelen zich op. Fortissimo klinkt alom de klaagzang over de gruwel van de bureaucratie. Binnen menig megalomaan instituut zijn de verhoudingen die van partijen en sentimenten die wederzijds zijn  veroordeeld tot quasiopenheid en pseudo-interesse achter het rookgordijn  ‘transparantie’. Algemeen is het gevoel dat deze gang van zaken schuurt en knarst en op  haar grenzen is gestuit: nog groter, nog meer controle, nog meer wantrouwen? Tempo maken in een doodlopende straat, daar komt het op neer.
Binnen een halve eeuw voltrok zich in het denken over het publieke domein bij velen de omslag van ‘wij maken het verschil’ naar ‘wij doen er niet toe’. Bij gebrek aan betekenis in de publieke sfeer raakte de privéruimte vervuld van almachtsfantasieën en narcistische eigendunk – een habitus die al snel delen van de publieke sfeer annexeerde: uitgaansleven, ziekenhuizen, scholen. Ik eis respect. Voorrang voor mij. Dat maak ik zelf wel uit. ‘Fuck you: I want it all and I want it now!’ In een vocabulaire dat een voorkeur voor drieletterwoorden hand in hand laat gaat met een voorliefde voor verwensingen in de sfeer van besmettelijke ziektes. ‘Krijg de tyfuskanker kuthoer’, is daarvan een  alleszins gangbare variant. Taal is immers ook ‘van mijn eigen’.
In verwarring door de omvang van maatschappelijke veranderingen, ontsteld door de snelheid daarvan, uit het lood geslagen door de mate waarin ze ingrijpen, onzeker over de eigen betekenis, bevreesd voor de toekomst proberen mensen orde en samenhang te scheppen in het heden met de middelen van het verleden. Dit geldt in het bijzonder voor hen die veel te verliezen hebben en weinig te winnen. Met de rug naar de toekomst wordt een verleden gekoesterd dat nooit heeft bestaan. Met ongebreidelde fantasie en knip- en plakwerk op internet worden verledens geconstrueerd die ontspruiten aan (post) moderne breinen. In ‘herzuiling’ van de omroepen schuilt de toekomst van het omroepbestel, aldus Hilversumse omroepbazen. Verkiezingsaffiches verdedigen de ‘eigen identiteit van Rijswijk’. Retroarchitectuur, retrodisco en retromode steken de kop op, zo goed als een hang naar reconstructie van Nederlandse identiteit (maar zonder breiwerkje en zondagmiddagverveling) en ‘allochtone identiteit’ (maar zonder armoede en tanden trekken zonder verdoving), zo goed als salafistische dromen (zonder veroveringsoorlog en een rantsoen van ezelinnenmelk) en Bijbelse visioenen van rechtvaardigheid (zonder Jodenpogrom en Saracenenvervolging). Terug naar de tijd dat alles nog heel gewoon was, een met rozerood pastel ingekleurde tijd. Dit alles om de onzekerheid op te heffen. Om twijfel te smoren in eenduidigheid. Om het razende denken een halt toe te roepen.
Daarom behoren identiteiten gehouwen te zijn uit één brok graniet. Tegen het voortjakkeren van de tijd staat het onveranderlijke ‘zó ben ik’, tegenover opkomst en ondergang van culturen het gestolde ‘zó is het’. De gedachte dat identiteiten veranderlijk zijn en divers, even vloeibaar als de stroom van Herakleitos – het is vloeken in de kerk van de ééndimensionaliteit. Een vrouw met de Nederlandse nationaliteit, gehecht aan Rotterdam, van geloof moslimse, fan van Fehnerbace en van beroep paleontologe – velen die zich verslikken in zo’n voorbeeld van een meervoudige en meerduidige identiteit. Iemand is Nederlander of Marokkaan. Turk of Antilliaan. Nederlandse homohaters bestaan niet en Eritrese alcoholisten en Palestijnse atheïsten evenmin. En als ze wel bestaan moeten ze snel kiezen: het één of het ander. Het is God of de Mammon. Wat vloeibaar is moet stollen. Wat verandert moet stilstaan. Ultimo ratio: de Nederlandse taal verankeren in de grondwet. Het zijn pogingen de toekomst terug te leven. Het heden te normeren naar spiegelbeelden van het verleden. Een verleden bijeengeknutseld uit de meccanodoos van een mythische kindertijd. Verleden als toekomst. Toekomstangst als nationaal sentiment.

‘De tijden zijn slecht, maar wij zijn de tijden’ (Augustinus)
Om en nabij vijftig jaar geleden begon het met een droom over een verenigde universele mensheid, op weg naar een conflictvrij bestaan. Het eindigt – althans voorlopig – met twijfel aan het bestaande en angst voor de toekomst. Wat is van belang? Wat staat ons te wachten? De voluntaristische gedachte dat mens, leven en samenleving kneedbaar zijn als pottenbakkersklei heeft plaats gemaakt voor of blind doordrammen of iets dat het midden houdt tussen minimalisme en fatalisme: wat wij doen helpt heel misschien een heel klein beetje – je hebt alleen geen idee waarbij. Voor diehards in het zwartgallige is de toekomst iets wat ons overkomt als het lot in een Griekse tragedie: het voltrekt zich, we ondergaan het. Het gevolg: angst voor de ondergang van het bekende en het vanzelfsprekende, voor het verlies van het geliefde. Angst voor anonieme individuen en abstracte machten, angst voor de onkenbare toekomst, voor de grenzeloze leegte en de mateloze tijd die ons aanstaren.
Waakzaamheid heet het gebied tussen alarmisme en wegkijken, tussen het aankondigen van de eindtijd en het schouderophalend oplossen van problemen door het bestaan ervan te ontkennen. Of: witwasluiheid van het soort: vroeger was het nog erger, elders nog beroerder. Veel lessen heeft de geschiedenis ons niet te bieden, maar deze wel: waar economische, maatschappelijke, culturele en politieke crises samenkomen en elkaars werking verhitten, daar is waakzaamheid geboden. Wanneer de kloof tussen sociale klassen zich verbreedt, diepe verwarring heerst over wat binnen de cultuur als betekenisvol moet worden gezien en wat als marginaal, wanneer de ander en het vreemde als bedreigend worden ervaren en het eigene en het bekende worden verheven tot maatstaf voor een wederzijdse indeling in goed en slecht binnen een bipolaire samenleving, wanneer het vertrouwen in gevestigde instituties verdampt en schamperen wordt verheven tot converseerstijl, wanneer regering, parlement en instituties de tijd slecht verstaan en de noden van mensen tegemoettreden met onbegrip, afkeuring of hoon, wanneer bovendien het parlementaire ethos van verder liggende doelen nastreven en onderweg compromissen sluiten wordt beoordeeld als slapjanussengedoe van een zichzelf verrijkende klasse – een kluwen die kan worden ontward met kracht&daad&heldendom&messiaans leiderschap – dan is het verstandig ogen en oren open te houden. Te wíllen horen. Te dúrven zien. Vooral dat wat liever niet gehoord en gezien wordt.

In het onvoorspelbare zit de vrijheid van de mens.
Mensen zijn naar hun aard ten diepste én individuele én sociale wezens. Waar het individuele beknot wordt omdat collectieve dwang hen ‘opsluit in hun cultuur’ (Finkielkraut), verlangen mensen naar vrijheid voor het eigene en het bijzondere. Als het niet anders kan beleven zij dat in het duister, als ‘innere Migration’. Waar het sociale onder druk komt te staan, zullen mensen zoeken naar herstel van betekenisvolle verbintenissen met anderen, zowel in de private sfeer van het kleine als in het publieke domein van het grote. Religie, traditie, cultuur, identiteit zijn in het huidige discours wegen die herstel nastreven van gemeenschappelijkheid door het ontwerpen van een geïdealiseerd verleden: het morsige wordt uitgewist, het aangename uitvergroot, het gefabuleerde toegevoegd. Geïdealiseerde verledens zijn in het heden splijtzwammen en recepten voor onoverzienbare conflicten. Waarmee van Kooten en de Bie’s Positivo’s de draak staken, dreigt opnieuw. Bevolkingsgroepen die elkaar toeroepen: ‘Onze God die is de beste, onze God is kampioen’. Niet als camp maar in ernst. Vervang desgewenst God door traditie of cultuur. We zijn bekend met de gevolgen van rassenwaan, klassenwaan en vrije marktwaan (de Swaan). Laten we ervoor waken cultuurwaan aan dit rijtje te moeten toevoegen.
In de komende decennia zullen zonder enige twijfel vraagstukken rond migratie en integratie een centrale plaats opeisen in het maatschappelijk debat en in de politieke besluitvorming – in Nederland, in Europa, in de wereld. Conflicten binnen en tussen sociaal en etnisch diverse groepen zullen pijn blijven doen en woede oproepen. Gratuite oplossingen bestaan niet. De houdbaarheidsdatum van semantische bezweringsformules is voorbij. We hebben te maken met werkelijke, langdurige en diep ingrijpende processen, met lastig te voorziene gevolgen die met sociale technologie alleen niet beheersbaar zullen zijn – of misschien wel juist niet. Wat is het alternatief? ‘Les Grands Récits sont passés’, beweren postmodernisten, de grote verhalen (religies, ideologieën) hebben afgedaan. Dat geldt evenzeer voor het Grote Verhaal van het Falen van Grote Verhalen. Een lege toekomst is geen alternatief voor een geromantiseerd verleden, een dorre vlakte niet iets om naar uit te zien. Wanneer mensen ronddraaien in doelloze cirkels of als hazen terugrennen naar waar ze vandaan komen, verandert de toekomst in een desolate bestemming.
Zonder bezieling redden we het niet. Verlamming is geen antwoord op een al te naïef beleden vooruitgangsgeloof. Het angstvisioen van totalitaire utopieën hoeft het omarmen van idealen niet in de weg te staan – wel graag meer bescheiden en volmondig dialogisch. ‘What’s wrong with a little bit of love, peace, and understandig?’, zong Elvis Costello in het duister van de jaren 80. In Ae fond kiss toont filmer Ken Loach de hedendaagse variant van Romeo en Julia in de personen van Pakistaanse moslim Casim en de Iers-katholieke Roisin – en hoeveel obstakels hun liefde in de weg staan.
Voor wie zich niet wil laten opsluiten in fabelculturen of zich niet willoos wil onderwerpen aan de moderne dwang tot uniformering zit er weinig anders op dan de weg in te slaan van het ontwerpen van een gedeelde toekomst: een land van aankomst voor nieuwkomers én gevestigden, een land waar rechtvaardigheid én vrijheid centrale waarden zijn, waar ‘het recht van de een de plicht is van de ander’ (Paul Scheffer).  Een natie waar vanuit een gedeeld besef van het belang van een gemeenschappelijke publieke ruimte mensen in de privésfeer in staat zijn binnen een waaier aan groepsbindingen – met inachtneming van grondwet en rechtstaat – het leven te leven dat zij wensen te leven: als burger, als groepslid, als individu.
Democratie is meer dan een telraam met als uitkomst ‘the winner takes all’. Grondrechten van minderheden zijn ononderhandelbaar en daarmee ook rechten van minderheden bínnen minderheden, zoals ook het recht van de kleinst denkbare minderheid, het individu (Dick Pels). In de woorden van Imre Kertész, Nobelprijswinnaar en als veertienjarige bevrijd uit Buchenwald: radicale individualiteit is een geboorterecht. Nodig zijn radicale tolerantie en moedige gesprekken in plaats van onverschilligheid als bindmiddel tussen uiteenlopende levensstijlen en belangen. Met open ruimtes in plaats van geschutsstellingen van waaruit men elkaar bestookt vanuit de echoput van het onwankelbare eigen gelijk. In plaats van gemakzuchtig cynisme als bron waaraan teleurgestelde romantici zich bedrinken. Er is alle reden om bij de tijd te zijn. En alle reden zich daarbij niet neer te leggen. Iedere tijd is tijdelijk. Waarom niet – met vallen en opstaan – beginnen met een zoektocht naar schaduwplekken die ons beschermen tegen de hitte van het gemoed? Het soort schaduwplek waar Larry Gopnik zijn wonden kan likken en kracht verzamelen voor wat hij vanaf nu van het leven gaat maken. Wat deze zoektocht zal voortbrengen? Niemand die het weet. Misschien is dat maar goed ook. Zoals grande dame Hannah Arendt het verwoordt: ‘In het onvoorspelbare zit de vrijheid van de mens.’ Onder het asfalt wacht nog steeds het strand.

Will van de Laak

Category : Artikel