Stand van het land

Posted at november 3, 2010 by

Passaatwind v/h populisme: van vanzelfsprekend links naar vanzelfsprekend rechts.

‘Taboes zijn nu taboe’, concludeerde de deftige Frankfurter Allgemeine van 12 oktober 2010 in een hoofdartikel dat de ‘radicale transformatie van de politieke cultuur’ in Nederland besprak. Een omslag die naar het oordeel van de Amerikaans-Nederlandse historicus Paul Kennedy in zijn boek Bezielende verbanden in Nederland sterker wordt gevoeld en die heftiger reacties oproept dan elders in Europa (1). Zelfbewuste verdedigers van de gangbare orde zijn moeilijk te vinden, meent hij, en nieuwe dogma’s worden met missionair elan verkondigd. Het rommelt in alle landen van Europa. De Duitse bondskanselier  Angela Merkel verklaarde in een toespraak op 17 oktober de islam tot ‘deel van Duitsland’, maar oordeelde even resoluut: “De multiculturele aanpak van de samenleving is volledig mislukt”. In zijn Mirza-column in de Volkskrant van 25 oktober reageerde schrijver Kader Abdolah daarop: “de Nederlandse samenleving (is) bijna tegenovergesteld wat betreft de immigratieproblematiek. Er is haast geen Nederlands gezin dat geen contact heeft met immigranten”. Daar zullen veel gezinnen in dit land van hebben opgezien.

Van de worsteling van het CDA met het integratievraagstuk en de gedoogsteun van de PVV heeft iedereen via live-tv getuige kunnen zijn. De uitkomst is een VVD-CDA-regering die haar lot in handen legt van een partij waarover Gert Leers, de nieuwbakken minister van Integratie en Asiel , een jaar eerder nog oordeelde dat die wordt aangevoerd door ‘de vleesgeworden voorman van alle ordinaire vuilspuiters op internet’. De aanbidding van het pluche kan ver gaan.
De Partij van de Arbeid wekt op gezette tijden de indruk amechtig in de touwen te hangen. Haar leidmotief lijkt dan die van een kappersklant die het scheermes met angst beziet en denkt: wie geschoren wordt, moet stil zitten. Gevraagd naar de reden voor haar falen grote aantallen kiezers uit sociaaleconomisch lager geklasseerde groepen aan zich te binden, antwoordt Paul Depla, PvdA-burgemeester in Heerlen: “De PvdA is te veel universiteit, te weinig slachthuis, te veel laptop, te weinig Lederhosen”. Overigens is de sociaaldemocratie in vrijwel alle landen van Europa uitgesloten van regeringsmacht.

Radicaal- rechts
Nee, er marcheren geen geüniformeerde knuppelaars door de straten. En ja, de rechterlijke macht spreekt onafhankelijk recht. Democratie en rechtstaat zijn solide gefundeerd – maar niet onomstreden. Meerdere regeringen in West-Europa zijn afhankelijk van steun van uitgesproken radicaalrechtse partijen: de Danske Folkeparti  in Denemarken, de Lega Nord in Italië en de PVV in Nederland.
In vele andere landen zijn radicaal-rechtse partijen stevig aanwezig of in opmars: naast de meer volkse Nieuw-Vlaamse Alliantie betreft dat het Vlaams Belang in België, Le Pens Front National in Frankrijk, de Duitse Die Freiheit, de Oostenrijkse FPÖ, de Kristdemokraterna in Zweden, de Vooruitgangspartij in Noorwegen, de Ware Finnen, de VolksPartei in Zwitserland.
Ondanks nationale verschillen hameren deze bewegingen met succes op een tweetal samenhangende vraagstukken. Allereerst de knellende verhouding tussen staat en staatsfunctionarissen  enerzijds en grote groepen laag- en middelbaar opgeleiden met weinig uitzicht op verbetering anderzijds: mensen die hun bestaan ervaren vanuit een sterk  gevoel van ontheemding (‘verwezing’ noemde Fortuyn het).  Ten tweede het tot ‘islamdebat’ verengde vraagstuk van immigratie en integratie. Beide zijn geen verzinsel of product van het lezen van de verkeerde krant. Het zijn werkelijk bestaande problemen in het samenleven.  Wanneer ontwikkelingen mensen diep raken,  gaan sentimenten nogal eens aan de haal met rationele overwegingen. Dat is ingrijpend omdat het hier handelt om twee, volgens emeritus hoogleraar Johan Goudsblom, fundamentele sociale betrekkingen die onder druk staan: solidariteit (die de betrekking reguleert tussen eigen en vreemd) en hiërarchie (die de verhouding tussen hoog en laag, tussen meer en minder machtig structureert). (2)

‘Wij – ‘echte Nederlanders’ – hebben het nakijken’ en ‘zij – moslims – bedreigen ons’, heet het aan de ene zijde. Spiegelbeeldig reageren groepen migranten op hier van oudsher gevestigde Nederlanders op grond van hetzelfde onderscheid tussen Innen- en Aussenmoral: ‘Jullie zijn de oorzaak van onze misère’. Weinig gehinderd door nuance  gaan vervolgens  monomane heethoofden in beide kampen, de criticasters van het ‘islamofascisme’ aan de ene kant, de bestrijders van ‘Bruin 1’ aan de andere kant een licht ontvlambare symbiose aan: een verbond waarbij het scheppen van vijandbeelden en het uitvergroten van daarop gebaseerde conflicten het onwankelbare eigen gelijk moet grondvesten. Ian Buruma, de Brits-Nederlandse publicist, wijst op het gevaar van geharnast taalgebruik en reageren vanuit een verhit gemoed: “De strijd over het vermeende islamitische gevaar is nu bijna even intens geworden als de debatten in de jaren dertig over het fascisme, of die in de jaren vijftig over het communisme.” (3)

Hoe heeft het zover kunnen komen? Hoe staat Nederland er voor?
Een bescheiden greep uit de stortvloed aan publicaties:

Land van aankomst
In januari 2000 wierp Paul Scheffer met zijn artikel ‘Het multiculturele drama’ een steen in het stilstaande water van het gangbare multiculturele discours met als gevolg een abrupt einde aan het eierenlopen in het multiculturalismedebat. In 2007 volgde het 500 pagina’s dikke en door velen geprezen: Land van Aankomst. (4)  In dit magnum opus verbindt  hij onderzoek naar het immigratie- en integratiebeleid in de Verenigde Staten, Canada, Australië en verschillende West-Europese landen met een uitwerking van de al in ‘Het multiculturele drama’beschreven thema’s: ontheemding, de rol van religie, deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt, huwelijkspatronen, de reproductie van armoede.

Scheffer hekelt in zijn werken de zelfgenoegzame houding van een Randstedelijke elite die, levend te midden van privileges,  de ogen sluit voor de schrijnende  gevolgen van falend immigratie- en integratiebeleid. Bevoorrechte groepen die niet zelden met een wegwerpgebaar reageren op gerechtvaardigde vragen over veiligheid, de toekomst van de verzorgingsstaat en de bedreiging van individuele vrijheidsrechten van meisjes, homo’s, afvalligen  en niet-gelovigen. Het wegkijken van door eigen  beleid verhevigde problemen acht Scheffer kenmerkend voor de traditie van gedogen: ‘Nederland vermijdingsland’. ‘Behoud van identiteit’ is in zijn ogen een conservatief concept dat mensen opsluit in het verleden in plaats van ze voor te bereiden op een leven in het land van aankomst. In tegenstelling tot de ervaring in de Verenigde Staten en Canada betwijfelt Scheffer of de integratie van migranten in Nederland binnen drie generaties zal zijn voltooid. Met erkenning van de pijn, het verlies en de woede daarover van gevestigden én nieuwkomers pleit Scheffer voor de ontwikkeling van een ‘gemeenschappelijk wij’ dat gekenmerkt wordt door openheid en eigenheid. Het wederkerige uitgangspunt luidt: “Het recht van de een is de plicht van de ander.”

Een vreemde in eigen land
Hoe op de komst van migranten in de oude volkswijken wordt gereageerd, daarover gaat het recente rapport Een vreemde in eigen land (5), uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut, in opdracht van Forum, Instituut voor multiculturele vraagstukken. Bij naar schatting 30% van de bevolking is ressentiment diep geworteld. Een bewoner van de Utrechtse Sterrenwijk, een van de onderzochte volkswijken, sinds het optreden van voormalig minister Vogelaar met een merkwaardig gevoel voor verhoudingen ook wel ‘prachtwijken’ genoemd: “Als je aanklopt bij de sociale dienst met een hoofddoek op, krijg je de volgende dag een huis. Vers geschilderd, behangetje. Wij moeten alles zelf doen.” Over het optreden van gemeente en overheid: “Breek me de bek niet open. Niets doen ze voor je. Luisteren naar ons? Mooi niet. De politie luistert ook niet. Als je een klacht hebt, komen ze na een uur misschien eens kijken. Dan heb je geluk. Meestal laten ze je stikken.”

Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker-Instituut toont zich geschokt, niet zozeer dat er wantrouwen bestaat – hij verwachtte niet anders – als wel door de mate van afkeer die hij aantrof. Mensen in deze wijken hebben het gevoel niet te worden gehoord, niet te worden gezien, niet te worden gekend. Boutellier: “Mensen in de oude volkswijken en naoorlogse nieuwbouwwijken zijn los komen te staan van een groter geheel, voelen zich ontheemd. Daar komt nog de consumptiemaatschappij bij. Ze hebben niet de middelen daaraan deel te nemen. Nike-schoenen kunnen ze niet betalen, sommige nieuwkomers wel. De allochtoon is een dankbaar object voor wrok. Als die niet zou bestaan, zouden ze hem hebben uitgevonden.” Over een oplossing is hij somber. De buurtbewoners zelf nog meer: “Die gelulavonden in buurthuis Sterrenzicht. Daar komen alleen maar mensen op af die hier niet horen.”

Het bange Nederland
Een andere toon wordt aangeslagen door Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan,  achtereenvolgens  hoogleraar sociologie, financieel-geografisch onderzoeker en hoogleraar politieke geschiedenis in hun boek Het bange Nederland (6). Een ‘essay geboren uit frustratie’, uit onvrede over de toon van het openbaar debat, over de intellectuele en politieke verlamming die zij bij zichzelf en anderen opmerken. Duyvendak  en de zijnen wijzen er op dat sinds 1995 nog nooit zo weinig mensen zich onveilig hebben gevoeld, dat onder de bevolking de angst voor terrorisme scherp afneemt terwijl beelden en berichten in de pers het tegendeel suggereren. Uit angst voor politieke correctheid dobberen nogal wat journalisten mee met de populistische stroom. Deze “geven zich over aan een nieuwe vorm van actiejournalistiek (…) bij de minder getalenteerden ontaardend in een gemakzuchtige registratie van de stem van ‘het volk’ in straatinterviews met toevallige passanten in een van de Nederlandse winkelcentra.”
In navolging van het WRR-rapport Identificatie met Nederland (7) pleiten zij voor het vervangen van het statische begrip ‘identiteit’ door het dynamische ‘identificatie’ – een begrip dat mensen niet opsluit in een afgesloten eigenheid maar hen meervoudige bindingen toestaat. In aansluiting daarop stellen zij een model voor van ‘getrapt burgerschap’, een model dat een gelaagde en geleidelijke integratie kan bevorderen en een alternatief biedt voor de ‘alles of niets’-stoerheid die zo in de mode is geraakt. Beide gedachten, die van identificatie en getrapt burgerschap, sluiten aan bij een sociologisch basisinzicht, zoals verwoord door Johan Goudsblom: “Het ‘worden’ vindt plaats in een context van interdependenties. Dit betekent ook een correctie op de illusie van het eeuwig eigene.” (8)
Hoezo mislukt?
Denkend binnen een vergelijkbaar stramien als Duyvendak  en de zijnen, een opstelling die migranten insluit in plaats van uitsluit, maar meer gebaseerd op onderzoeksmateriaal, is: Hoezo mislukt? De nuchtere feiten over de integratie in Nederland door Amerikanist Frans Verhagen(9). Onderzoek over taalbeheersing, deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt, criminaliteitscijfers en man-vrouwrelaties passeren de revue. Met overzichtelijke staatjes aan het slot van ieder hoofdstuk laat Verhagen zien welke – omstreden – uitspraken strikt cijfermatig juist of onjuist zijn of op grond daarvan positief of negatief gewaardeerd kunnen worden. Onjuist is  bijvoorbeeld dat Slotervaart een in meerderheid Marokkaans stadsdeel is, juist is dat autochtone wijken de minst gemengde wijken in Nederland zijn; positief acht hij dat steeds meer allochtone jongeren de eigen partner kiezen, negatief dat de jeugdcriminaliteit onder allochtonen veel te hoog is.

Tijdgeest en populisme
Ondanks belangrijke nationale verschillen tussen de Europese landen (hier geen scholieren die demonstreren tegen verhoging van de pensioenleeftijd, zoals in Frankrijk) is  sprake van een ingrijpende paradigmawisseling: de vanzelfsprekendheid van links is vervangen door de vanzelfsprekendheid van rechts, het culturele kompas is van bestendig links uitgeslagen naar standvastig rechts – hoe lastiger het met de dag ook wordt om de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ helder van elkaar af te grenzen.  In de woorden van Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau: “Nederland is in transitie: van ouderwets progressief naar modern conservatisme.” Juist of niet juist en ondanks de sociale en economische ravage die het vrijemarktfundamentalisme aanricht, luidt de communis opinio dat links heeft gefaald. Oud-PvdA-minister Willem Vermeend constateert in NRC Handelsblad van 9 oktober 2010 bondig: “De werkende middeninkomens en de lagere inkomens hebben volledig afgehaakt.” De linkse kerk heeft het volk verweesd achter gelaten, zoals Fortuyn het uitdrukte, een opstelling waarmee hij vanuit het niets  een derde van de stemmen binnenhaalde bij de verkiezingen voor de Rotterdamse gemeenteraad en 26 zetels in de Tweede Kamer.

‘Rechts’ is nu aan zet. Hoewel voorspellen lastig is, vooral als het om de toekomst gaat, zoals Mark Twain opmerkte, ziet het er niet naar uit  dat de dominantie van een autoritair en nationalistisch gedachtegoed van korte duur zal zijn. Onderzoeker Gabriël van den Brink oppert in Vrij Nederland zelfs: “We gaan nu een kleine politieke ijstijd van zo’n twintig jaar tegemoet.”
Zoals onder invloed van de koers van de straalstroom in de atmosfeer de passaatwinden van richting kunnen veranderen, zo lijkt in de hele westerse wereld de toonaangevende ideeënwereld gekanteld. Van Berlusconi’s  Italië, via Berlijn en Den Haag tot de Tea Party-beweging in de V.S.

Populisme, menen velen, is het begrip dat het best de nieuwe verhoudingen typeert. Een begrip dat, zoals alle containerbegrippen, het gevaar herbergt te fungeren als vuilnisvat  waarin alle ongemak en iedere onvrede kan worden ondergebracht om daar te gisten en te broeien.
Kenmerkend voor het populistisch gedachtegoed is in ieder geval:

Eén. Het aanbrengen van een scherp onderscheid tussen elite en volk, waarbij ‘volk’ staat voor zuiverheid en ‘elite’ voor verdorvenheid. Twee: het volk wordt voorgesteld als een homogene massa, waarbinnen geen verschillen of tegenstellingen bestaan. Drie: om de eenheid van het volk te verdedigen worden migranten en afwijkend eigen volk gezien als bedreiging. Vier: op zoveel mogelijk gebieden worden media ingezet om volk- en vijandbeelden te profileren en te uniformeren. Vijf: autoritair leiderschap bundelt, verwoordt en geeft richting aan de onvrede van het volk. “De populistische leider is tegelijkertijd de vertegenwoordiger van de volkswil, en een representant van een nieuwe, autoritaire vorm van gezag. Hij of zij weet wat het volk wil, terwijl het volk dat zelf niet weet”(10), schrijft filosoof Gijs van Oenen. Over het fundament van populistisch (of autoritair) leiderschap liet Erich Fromm zeventig jaar terug in Angst voor de vrijheid al weinig twijfel bestaan: “De moderne mens leeft met de illusie dat hij weet wat hij wil, terwijl hij eigenlijk wil wat hij wordt verondersteld te willen.” (11)

Twintig jaar in de toekomst zien, zoals van den Brink, is wel erg ver. En wat de tijdgeest betreft: dat is eerder een beschrijvend dan een verklarend begrip, het ongrijpbare en het onbegrepene worden er quasi diepzinnig mee op de staart getrapt en, en passant, bestendigheid toegedicht. Pas wanneer we en masse geloof gaan hechten aan de tijdgeest, gaan we ons gedragen alsof die onontkoombaar is en ons dwingt tot volgzaamheid. Geketend door dit zelf gesneden beeld van de werkelijkheid gaan mensen verzet tegen de tijdgeest al snel bezien als vechten tegen windmolens. Zo is het gelukkig niet. Mensen zijn er niet toe veroordeeld om naar de tijdgeest te turen zoals konijnen naar het schijnsel van de lichtbak in het nachtelijk duister. We hoeven het zieden van de tijdgeest niet fatalistisch af te wachten.

Beoefenaren van sociale beroepen staan wel voor een ernstig te nemen dilemma. Dit: hoe kunnen sociale beroepen (die bijna vanzelfsprekend zijn uitgerust met verlichtingsdrang en verheffingsethos) binnen een rechts-populistisch politiek kader de belangen verdedigen van kansarme groepen mensen die nu juist object zijn van deze politiek van disciplinering en achterstelling?

En als we zo een-twee-drie niet weten hoe het antwoord daarop luidt, dan is dat binnen het onderwijs des te meer reden om te beginnen daarover na te denken. Laten we eens onbepakt op reis gaan zonder die vertrouwde koffer vol geruststellende platitudes en voorgeschreven opinies. Tijd om de geest te scherpen met nieuwe woorden, schurende gedachten, dwarse opinies. Wat houdt ons tegen?


Bronvermelding
P. Kennedy (2009). Bezielende verbanden (p. 9). Amsterdam: Bert Bakker.
Johan Goudsblom (2001). Stof waar honger uit ontstond. Over evolutie en sociale processen (p. 117). Amsterdam: Meulenhoff.
Ian Buruma, Pleidooi voor gematigdheid, Liberalisme onder vuur, in de Groene Amsterdammer, 7 oktober 2010, jaargang 134, nummer 40, pagina 25.
Paul Scheffer (2007). Het land van aankomst. Amsterdam: De Bezige Bij.
Marjan de Gruijter, Eliane Smits van Waesberghe & Hans Boutellier (2010). ‘Een vreemde in eigen land’. Ontevreden autochtone burgers over nieuwe Nederlanders en de overheid. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen & Ido de Haan (2008). Het bange Nederland. Pleidooi voor een open samenleving. Amsterdam: Bert Bakker.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2007). Identificatie met Nederland. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Goudsblom, ibidem,  167.
Frans Verhagen (2010). Hoezo mislukt? De nuchtere feiten over de integratie in    Nederland. Amsterdam: Nieuw Amsterdam.
Gijs van Oenen, De grenzen van de grote mond in De Groene Amsterdammer, jaargang 134, nummer 39, pagina 19
Erich Fromm (1999). Angst voor de vrijheid. Utrecht: Bijleveld.

Category : Artikel