Richard Sennetts lof van de ambachtsman

Posted at december 19, 2011 by

Hoe zit die stoel nu? En hoe is het met U?

Will van de Laak > “Met begerige blik loeren we naar de voorwerpen, alles door handen gemaakt, van riet gevlochten, uit hout gehakt, manden, netten, stampers, parangs, kleden, ringen, maar onze begeerte is de begeerte van mensen die nooit meer iets zelf maken, laat staan het versieren, en het slaat op ons terug als heimwee (…)” (Nooteboom, 1981: 81).
Socioloog Richard Sennett is de zoon van een man, die het vaderschap in Chicago al spoedig inruilde voor de strijd tegen het fascisme van Generalissimo Franco en de romantiek van de anarchistische revolutie, en een moeder die maatschappelijk werkster werd, een beroep dat zij op nam “om zich te wapenen tegen (zelf-)medelijden”. Als enig kind groeide Sennett tijdens de naoorlogse periode van economische bloei op in een gemengde gemeenschap van zwarte en blanke armen in Cabrini Green, een desolate nieuwbouwbuurt met sociale woningbouw “on the South Side of Chicago”, berucht vanwege de mix van armoede, geweld en uitzichtloosheid. Een arm maar vooruitstrevend vakbond- en bohemienmilieu met nooit eindigende debatten in kamers tot aan de nok gevuld met boeken. De jonge Richard ontwikkelde zich tot een begaafd cellist. Al op zijn dertiende reisde hij met vakbondsleden in een VW-busje naar kleine stadjes in Minnesota om daar Bachcantates te spelen voor uitgeputte, naar cultuur dorstende mijnwerkers. Op zijn negentiende moest hij daarmee breken als gevolg van een rampzalig verlopen operatie aan zijn linkerhand. Einde carrière. Een nieuwe diende zich aan: hij begon sociologie te studeren aan Harvard. Later werd hij hoogleraar in Yale.

Vervlechting van leven en werk
Zijn deze biografische gegevens van belang? Meer dan dat. Ze kleuren niet slechts zijn persoonlijk leven, zijn wetenschappelijk werk is ervan doordrongen, zowel zijn thematiek als de door hem gevolgde onderzoeksmethode. Werk en leven zijn bij Sennett sterk op elkaar betrokken zonder het zicht te vertroebelen op de scheidslijn tussen beide sferen. De verhouding tussen het domein van het private en de wereld van het publieke leven en de wederzijdse doordringing van beide, even onvermijdelijk als problematisch, hebben in het werk van Richard Sennett een leven lang centraal gestaan.
Al in The Hidden Injuries Of Class (Sennet & Cobb, 1990) wijst hij er op dat sociale ongelijkheid volgens een dominante visie wordt toegeschreven aan verschillen in karakter, morele beslissingen of een zwakke wil. Van veel groter belang voor het begrijpen van de werkende klasse, verdedigen hij en coauteur Jonathan Cobb, is te beseffen dat de leden ervan evenveel minachting koesteren voor de middenklasse als zij zich schamen er geen deel van uit te maken. Een paradox die evenzeer woede opwekt als verlamt.

Tirannie van de intimiteit
Midden jaren zeventig publiceerde Sennett zijn waarschijnlijk meest spraakmakende boek: The Fall Of Public Man (1974). Daarin onderzoekt hij de publieke sfeer in het London en Parijs van de 18de en de 19de eeuw, in het bijzonder de rol die herbergen, stadsparken en koffiehuizen spelen als plaatsen voor ongedwongen ontmoetingen tussen mensen van uiteenlopende sociale herkomst en positie. Een praxis, zo strijdig met de huidige rol van grand-café’s, volkskroegen, festivals en clubs, publieke domeinen waar mensen elkaar juist selecteren op gelijkheid in maatschappelijke positie en gelijkgezindheid in opvatting en smaak. Uniformering is vaak maatstaf geworden: omgang met gelijken met vergelijkbare overtuigingen binnen dezelfde ruimte. Door de sociale segregatie dreigen publieke gelegenheden ‘voor ons soort mensen’ te worden tot plaatsen waar wederzijds vooroordeel en stereotype floreren.

Sennett hekelt het gebruik om in de publieke ruimte politiek debat in te ruilen voor psychologische aandacht, iets wat hij fileert met zijn befaamd geworden typering “tirannie van de intimiteit”: de hang publieke gunst te verwerven met behulp van private ontboezemingen. Om de volksgunst te winnen worden kiezers, in kleutertaal, naar de mond gepraat. Om de sensatiezucht te bevredigen tijgeren politici tijdens Sterrenslag door de modder of dansen de polonaise tijdens de Ontbijtshow. Oppervlakkigheid, gekoppeld aan de drang ‘gewoon te doen’, bevorderen volgens Sennett juist de depolitisering van de publieke sfeer. Het gevolg is het vermengen van de private en de publieke sfeer. In deze troebele soep is het dankbaar roeren voor populisten en liefhebbers van de grove bek. Een samenleving dreigt waarin schijn en wezen van plaats wisselen, waar inhoudelijke stellingnames ondergeschikt raken aan de vraag of de vertolkers ervan de techniek van soundbite en kwinkslag hanteren en een goede indruk weten te maken in talkshows en sociale media. Niet voor niets zijn impression- en communicatiemanagement geworden tot totems van de postmoderniteit.

Voorwaarts, maar waarheen?
Met een drietal, onderling sterk op elkaar betrokken publicaties: De flexibele mens (2000), Respect in een tijd van sociale ongelijkheid (2003) en De ambachtsman (2008) heeft Sennett zich in het eerste decennium van de 21ste eeuw opnieuw sterk gemengd in het publieke debat over de verhouding tussen privé, economie en politiek. In De flexibele mens, de afgezwakte Nederlandse vertaling van het stevige The corrosion of character (1998), staat de vraag centraal hoe veranderende arbeidsomstandigheden van invloed zijn geweest op het karakter van werknemers, zowel van laag- als hoogopgeleiden. De ‘nieuwe economie’, een aandeelhouderseconomie die sterk gericht is op winstmaximalisatie op korte termijn, is gebaat bij voortdurende productinnovatie. Denk aan de ict-wereld die een stortvloed voortbrengt aan producten, een waaier aan toepasbare gadgets, herziene versies en variabele kleurstellingen. Of aan Gillette die haar best doet mannen te verleiden hun scheerapparaat met drie mesjes te vervangen door een model met vier mesjes? Nieuw kleurtje? Rubberen houder in plaats van een van plastic? Anything goes, zolang het maar verkoopt. Binnen bedrijven zorgt dit voor processen van discontinue herstructurering, flexibele specialisering en vergaande machtsconcentratie.

Vroeger gewaardeerde eigenschappen als loyaliteit en binding, vakmanschap en betrouwbaarheid worden al snel als ouderwets bezien, als een blok aan het been van de vooruitgang, meent Sennett. Wie zich langdurig bindt aan vak of arbeidsplaats wordt al snel tot loser bestempeld; winner is hij of zij die erin slaagt om de paar jaar (3, 5, 7, zeker niet langer) te breken met vak, baan en collega’s in hun rol van tijdelijke passanten of ze juist te koesteren als vehikels bij de opbouw van een carrièrenetwerk. Kritiek op de gang van zaken wordt afgeserveerd als ‘weerstand’, een psychisch onvermogen om zich staande te houden in een wereld zonder stabiliteit. ‘Flexibiliteit’ is een toverwoord geworden. Alom wordt een wereld vol uitdagingen gefabuleerd, waarin voortdurend ‘slagen worden gemaakt’ en waar ‘vernieuwing’ de solipsistische waarde bij uitstek is geworden. Nieuw, nieuwer, alsmaar nieuwer. De verzuchting van Gerard Reve blijft schuren: ‘Voorwaarts, maar waarheen?’

Van flexcontract naar flexmens: ‘en toen dat’
Van werknemers en leidinggevenden in moderne organisaties wordt extreme souplesse verondersteld: de bereidheid en bekwaamheid zich voortdurend aan te passen aan veranderende werkeisen. Van flexcontract via flexplek naar flexmens: op korte termijn moeten flexwerkers arbeid, arbeidsritme en arbeidsomstandigheden accepteren die op lange termijn gezondheid en welzijn ondermijnen. Een groeiend aantal uitvallers (WAO’ers, Wajongers, mensen met chronische stress, burn-out, depressiviteit) draagt bij aan het uit de pan rijzen van de kosten voor gezondheidszorg en sociale zekerheid.
Sennett is vooral beducht voor de immateriële gevolgen voor de flexibele mens: het wegvallen van een samenhangend levensverhaal dat dreigt te worden vervangen door het ‘en toen dat’: een bestaan waarbinnen de continuïteit van werk en leven verdampt tot een reeks opeenvolgende, nauwelijks samenhangende episodes.

De trots van vakmanschap
In De ambachtsman. De mens als maker (2008) bepleit Sennett herwaardering van vakmanschap en de bevrediging en trots die dit schenken. Scherp plaatst hij de ambachtsman tegenover de flexwerker en het appel dat op de laatste gedaan wordt in de vorm van een amorfe cluster betrekkelijk inhoudsloze vaardigheden: het vermogen tot samenwerken, tot het voeren van een gesprek, tot het omgaan met stress, tot leidinggeven aan een complexe organisatie, tot innovatie (van wat dan ook). Ontwikkelingen die ook binnen onderwijs, zorg en hulpverlening dominant zijn geworden. De opmars van de coach ten koste van de leraar is daarvan een voorbeeld. Sennett benadrukt het belang van ambachtelijkheid, niet uit nostalgie, niet uit hang naar een premoderne wereld. Het gaat hem om het belang van intrinsieke motivatie om dingen zo goed mogelijk te maken, om taken zo goed mogelijk te volbrengen: zowel het polijsten van marmer uit Naxos als het plaatsen van stents in een kransslagader, zowel het onderwijzen van studenten als het regelen van een fatsoenlijk huis voor een gezin asielzoekers.
Sennett verfoeit een arbeidsethos met het adagium ‘zoveel mogelijk in zo kort mogelijke tijd’. Daartegenover bepleit hij ‘langzaam werken met als enige doel kwaliteit’, zowel voor hand- als hoofdarbeiders.
Zijn redenering in telegramstijl: vakmanschap schept arbeidsbevrediging, vreugde in het werk draagt bij aan zelfvertrouwen, vertrouwen op eigen vermogens en inzichten stelt mensen in staat het hoofd te bieden aan onvoorziene moeilijkheden, weerbaarheid wapent tegen modieuze luchtfietserij en bevordert het tot stand brengen van kwaliteit.

Vakmanschap en gemeenschap
Zoals flexwerken de sociale cohesie ondermijnt, arbeidsverbintenissen zijn hier immers per definitie tijdig en vluchtig, zo schept vakmanschap een band door haar netwerk van stabiele contacten. Dean Bradfield, zanger van de Manic Street Preachers, illustreert dat: “Mijn vader maakte meubels, die hij aan de straat verkocht. Raakte hij in gesprek met de mensen bij de aankoop, en nog jaren daarna: Hoe zit die stoel nu? En hoe is het met u? Dát schept een band, en het is van een heel andere orde dan ‘I like’ aanklikken op een website” (Bradfield, 2011).

Meer algemeen sluit Sennetts visie aan bij die van Ferdinand Tönnies’ hoofdwerk Gemeinschaft und Geselschaft uit 1887: “In de gemeenschap zijn de mensen ‘ondanks alle scheidslijnen met elkaar verbonden’, in de maatschappij zijn ze ‘ondanks alle verbondenheid van elkaar gescheiden’ ” (Tönnies in Safranski, 2006: 213). Het gaat Sennett om verbondenheid-in-het-werk, niet om aardig-zijn, iets wat hij typeert als “social jazz”: smooth and easy en dito nietszeggend.
In Respect in een tijd van sociale ongelijkheid (2003) verbindt Sennett zijn kritiek op de flexsamenleving met zijn pleidooi voor langzaam vakmanschap. Om respect te verdienen zijn de eisen die aan mensen worden gesteld hoger dan ooit. “Iedereen moet even ondernemend, zelfstandig en flexibel zijn als de meest succesvollen in de samenleving. Wie het minder ver schopt, geen incasseringsvermogen heeft of hulpbehoevend is, moet zich eigenlijk schamen”(Hilhorst, 2003).

Respect, erkenning krijgen voor wat je doet of nauwkeuriger: voor wat je bént, is waar iedereen naar verlangt. In de optiek van Sennett is de essentie van respect het erkennen van andermans autonomie. Respect veronderstelt wederkerigheid. Het eigene van de ander, dat wat afwijkt en ons ontglipt, is wat respect verdient.
Dit staat haaks op een bedrijfsmatige kijk op onderwijs, zorg en hulpverlening. Daarin staat niet het eigene, maar de uniformiteit van studenten, patiënten en cliënten centraal: voor behandeling x staat normering y, een benadering die cirkelt rond een epicentrum van protocollen en quota, een bejegening die juist disrespectvol is voor mensen die hunkeren naar erkenning.

Sennetts aandacht voor ‘langzaam werken’ sluit wonderwel aan bij Harry Kunnemans pleidooi voor het serieus nemen van ‘trage vragen’: doordachte problemen verdienen zorgvuldige antwoorden. Beide vergen tijd.
Sennett is niet iemand met een diepe liefde voor kwantitatieve data-analyse, hij hecht meer aan antropologische observaties die hij een plaats toekent binnen een bredere maatschappijkritiek. Critici plaatsen Sennetts streven naar herstel van vakmanschap en gemeenschappelijkheid wel in een romantische traditie. Dat is niet onterecht. Zijn analyse van postmoderne arbeidsverhoudingen wordt daar echter niet minder treffend door en zijn streven om gemeenschappelijkheid terug te veroveren op de instrumentele verdwazing niet minder urgent.

Sennett blijft benadrukken: “De mensen in mijn buurt kregen nooit het gevoel dat ze ergens voor nodig waren. (…) Terwijl juist dat gevoel van onmisbaarheid de relatie gelijkwaardiger kan maken. Daarom moeten onderwijzers, artsen en hulpverleners oog krijgen voor het bijzondere van de mensen die ze bijstaan. Ze moeten respect krijgen voor hun cliënten. (…) We moeten beseffen dat hulpverlening, gezondheidszorg of onderwijs vakmanschap vereist. Je mag de cliënten niet aan hun lot overlaten, maar ze evenmin de wet voorschrijven. Het is een permanente balanceeract”(Hilhorst, 2003).
Het is dit vermogen tot balanceren dat studenten in sociale beroepen zich eigen moeten maken; het is waarin docenten ze moeten bekwamen, al balancerend.


Literatuur
Bradfield, D. (2011, 11 mei). Interview. In: De Pers.
Hilhorst, P. (2003, 10 mei). Een beetje respect graag. In: de Volkskrant.
Nooteboom, C. (1981). Borneo. Van Brunei naar Serawak. In: Voorbije passages. Amsterdam: De ­Arbeiderspers.
Safranski, R. (2006). Heidegger en zijn tijd. Amsterdam: Olympus.
Sennett, R. & Cobb, J. (1970). The Hidden Injuries Of Class. New York: Knopf.


Boeken van Richard Sennett
Sennett, R. (1977). The fall of public man. New York: Knopf.Sennett, R. (2000). De flexibele mens. Psychogram van de moderne samenleving. Amsterdam: Maarten Muntinga B.V.Sennett, R. (2003). Respect in een tijd van sociale ongelijkheid. Amsterdam: Byblos.Sennett, R. (2007). De cultuur van het nieuwe kapitalisme. Amsterdam: Meulenhoff.Sennett, R. (2008). De ambachtsman. De mens als maker. Amsterdam: Meulenhoff.


Reactie 20-4-2012
Prachtig artikel van Wil van de Laak. Had nog nooit van Sennett gehoord, tot gisteren 19.4.12 op een inspiratiemiddag op Nyenrode met André Wierdsma, Klaas van Egmond en Harry Kunneman, over het ontsnappen aan de morele zwijgzaamheid van managers. Artikel is een welkome aanvulling op pleidooi voor toevoeging van morele waarde – verschuiven van product naar werk, de ambachtelijke fascinatie voor werk-gemeenschap en de trage vragen hun eigen tijd gunnen.
Dank! Ab Van der Hulst

Category : Artikel