Ontdekking of mythe? Het normale kind

Posted at oktober 20, 2011 by

Mineke van Essen > Vanaf de negentiende eeuw namen wetenschappers kinderen de maat en ordenden zo de kindertijd. Brachten ze daarmee tegelijk ook diezelfde kindertijd om zeep? Hoe bemoeienis met het kind diens uniciteit kan bedreigen.
“In onze jeugd knikkerden, tolden en hoepelden wij”, schreef een oude man aan het einde van de negentiende eeuw over zijn kindertijd. “We bouwden vestingwerken in bos en beemd, sprongen over en weleens in sloten, groeiden als kolen, aten als wolven en sliepen als rozen; ik herinner me niet dat er iemand klaagde over hoofdpijn, malaise of bijziendheid. Nu nemen de school, het huiswerk, tekenen, muziek, handenarbeid en catechisatie het hele kinderleven in beslag. Het is maar gelukkig dat er vakanties zijn, anders waren alle kinderen grijs en gebogen voor hun tijd” (Röling, 2006).

Wetenschappers van het kind, pedagogen en ontwikkelingspsychologen kunnen verschillende kanten op met zon observatie, afkomstig van de rijke website van historisch pedagoog Hugo Röling vol Nederlandse en Vlaamse jeugdherinneringen. Röling zelf interpreteerde deze ontboezeming van de hem verder onbekende J. Kuyper vooral als typerend voor de toegenomen pedagogische beïnvloeding, waardoor kinderen in de loop van de negentiende eeuw steeds korter werden gehouden. Maar hij gebruikte het citaat ook om het huidige geklaag over overbelaste basisschoolkinderen te relativeren; een eeuw geleden vonden criticasters kennelijk ook al dat ouders hun kinderen te veel aan georganiseerde naschoolse activiteiten onderwierpen.
In het historische debat over de kindertijd draait het vaak om wat met een sociologische term medicalisering wordt genoemd: de toenemende greep van medici op het opgroeien van kinderen, die in de negentiende eeuw zijn beslag kreeg. De terugblik van de oude Kuyper is hiervan een voorbeeld. Hij zag onder de eind negentiende-eeuwse kinderen allerlei fysieke klachten waarvan hij en zijn kornuiten zestig jaar eerder helemaal geen last leken te hebben: hoofdpijn, malaise, bijziendheid. Kuyper schreef zijn herinneringen net een paar decennia te vroeg om er ook nog allerlei psychologisch getinte akeligheden aan toe te kunnen voegen, zoals concentratieproblemen of een lage intelligentie.
Ook een eeuw geleden vonden criticasters al dat hun kinderen te veel aan georganiseerde naschools activiteiten onderwierpen.
Over dit proces schreef de Canadese hoogleraar sociologie André Turmel in 2008 de interessante monografie A Historical Sociology of Childhood, waarin hij nog een stap verdergaat. In Turmels analyse hebben de medici en, in hun kielzog, de ontwikkelingspsychologen niet alleen macht over het kind gekregen, maar de hedendaagse kenmerken van het kind-zijn zelfs uitgevonden. Zij ordenden er de kindertijd mee volgens Turmel een bij uitstek chaotische en ongrijpbare fase van het menselijk bestaan.
Zo creëerden zij onze huidige beeldvorming over wat normaal is voor een kind van een bepaalde leeftijd, zowel fysiek als mentaal. Het type feiten waarmee Turmel deze analyse staaft, is in kringen van historische kindwetenschappers al langer gemeengoed. Medici namen in de eerste decennia van de negentiende eeuw het voortouw. De hoge kindersterfte, vooral onder het fabrieksproletariaat, zette hen aan tot het meten en wegen van kinderen uit verschillende sociale klassen, om zo te laten zien hoezeer fabriekskinderen achter bleven in hun fysieke groei. Engeland, bakermat van de Industriële Revolutie, begon ermee, de Verenigde Staten en Frankrijk volgden.
Mede door de ontwikkeling van de statistiek leidde dit op termijn tot grootschalige inventarisaties van de lichamelijke ontwikkeling die kinderen doormaakten en de grafische visualisatie daarvan in tabellen en grafieken. De gemiddelden die daaruit tevoorschijn kwamen, gingen de standaard vormen voor een normaal, gemiddeld kind. Dat moest op een bepaalde leeftijd een lengte hebben van X en een gewicht van Y, een specifiek dieet volgen, zoveel uur per etmaal slapen enzovoorts. Hoe meer kinderen binnen die norm vielen, hoe lager de kindersterfte zou worden. Zo werd ‘normaal’ identiek met ‘gezond’ en gingen medische deskundigen zich bemoeien met de zorg voor kinderen die van de norm afweken. Vanaf het einde van de negentiende eeuw ontwikkelde zich daardoor in de hele westerse wereld een waar netwerk van consultatiebureaus en schoolartsdiensten, ook in Nederland.
Eind negentiende eeuwse kinderen hadden allerlei fysieke klachten: hoofdpijn, malaise, bijziendheid.
De stap van aandacht voor de lichamelijke ontwikkeling naar die voor het gedrag was maar klein. Ook hiervoor, laat Turmel zien, was de basis al in de eerste helft van de negentiende eeuw gelegd toen het systematisch observeren van de eigen kinderen in de mode kwam. Naast medici deden hieraan ook geïnteresseerde ouders uit de elite mee. De Engelse schrijfster Elizabeth Gaskell, bijvoorbeeld, en pedagogen als Johann Heinrich Pestalozzi en Madame Albertine-Adrienne Necker de Saussure. De notities van Charles Darwin over zijn oudste kind, gepubliceerd in 1839, werden het bekendste voorbeeld van de talrijke dagboeken die dit type waarneming opleverde. Later in de eeuw namen professionele kinderpsychologen als Johann Wilhelm Preyer en Granville Stanley Hall deze observatietraditie over en gaven die een wetenschappelijk karakter.
Ook de intelligentiemeting, waaraan met name de Franse medicus Alfred Binet zijn faam te danken heeft, past in deze ontwikkeling. Al in 1914 gaf de American Medical Association een Standard Score Card for Babies uit. Naast de fysieke ontwikkeling inventariseerde die het gewenste mentale gedrag van het kind per fase, bijvoorbeeld of het op de juiste leeftijd in de handen kon klappen, een cirkel tekenen of woorden herhalen.
De bekendste fase-indeling werd het ontwikkelingsmodel van de Zwitserse psycholoog Jean Piaget. Turmel maakt bij zijn voorbeelden echter vooral gebruik van de Amerikaanse medicus en kinderpsycholoog Arnold Gesell, die rond de Tweede Wereldoorlog in de wereld van de Child Study Movement als een absolute autoriteit gold ook in Nederland. Het normale kind ging zo niet alleen het gemiddelde en het gezonde kind betekenen, maar ook het aanvaardbare, in de betekenis van aangepaste, kind. Als de intellectuele of emotionele ontwikkeling achter bleef, moest er gecorrigeerd worden. Naast al langer bestaande instellingen voor kinderen met ernstige fysieke en mentale beperkingen kwamen zo in de jaren twintig van de vorige eeuw in de Verenigde Staten en in Engeland Child Guidance Clinics tot stand. Nog voor de Tweede Wereldoorlog vonden die ook navolging in Nederland, waar ze Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB) gingen heten. De naoorlogse scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lomonderwijs) passen eveneens in deze ontwikkeling.
Volgens Turmel is de kindertijd een bij uitstek chaotische en ongrijpbare fase van het menselijk bestaan.
Tot zover biedt Turmels monografie eigenlijk weinig nieuws, ook al omdat hij vaak teruggrijpt op dezelfde voorbeelden. Interessant is het boek vooral vanwege zijn interpretatie. Turmel ziet het kindbeeld van de ontwikkelingspsychologen, met de vaste ontwikkelingsstadia, als een narratio, een tijdgebonden verhaal over de kinderlijke ontwikkeling waarmee het basaal chaotische fenomeen kindertijd op orde gebracht kon worden. De kracht waarmee ontwikkelingspsychologen dit paradigma voor het voetlicht brachten, aldus Turmel, was zo groot dat iedereen tot op de dag van vandaag hun beeld omarmt. Kinderen moesten zich volgens dit beeld gedragen, anders weken ze af van wat normaal, gezond en aangepast was.
Al gaat Turmel niet zover dat hij de hele ontwikkelingspsychologie bij het grofvuil zet, A Historical Sociology of Childhood laat zich niettemin ook lezen als één grote aanklacht tegen de medisch-psychologische maffia die het kind in de loop van de negentiende eeuw van zijn uniciteit heeft beroofd.
Dat het concrete, individuele kind achter de kindwetenschappers verdwijnt, is ook het uitgangspunt en de grondtoon van een essayistische bundel van de Groninger ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma uit 2009. Breeuwsma ging daarom op zoek naar voorbeelden van kinderen die nu juist niet passen in het plaatje van de professionals, naar Het vreemde kind, zoals de titel van zijn boek luidt. Daarbij schuwt hij geen enkele bron: (auto)biografieën en andere egodocumenten, kinderboeken en romans vormen even bruikbaar materiaal als films, televisieprogramma’s over adoptieleed of het fenomeen van de hoogsensitieve nieuwetijdskinderen. Zo figureren in Breeuwsma’s boek helden en heldinnen uit kinderboeken Alice in Wonderland, Remi uit Alleen op de wereld, Nils Holgersson en Pippi Langkous naast mensen van vlees en bloed zoals kinderen met dwerggroei, Darwins babyzoon, pleegkinderen van het Foster Parents Plan, praatjesmakers uit het populaire tv-programma met die naam, de doofblinde Amerikaanse auteur Helen Keller en popster Michael Jackson.
Een normaal kind moest op een bepaalde leeftijd een lengte hebben van X en een gewicht van Y, een specifiek dieet volgen, zoveel uur per etmaal slapen enzovoorts.
Het oudste voorbeeld in Breeuwsma’s fascinerende vreemde kinderengalerij is de wilde van Aveyron, een jongen van een jaar of dertien die in 1800 opdook uit een bos in midden Frankrijk waarin hij kennelijk jaren had geleefd en overleefd. Zulke zogenaamde wolfskinderen werden wel vaker gevonden, maar deze jongen verscheen precies op het juiste ogenblik om onderwerp van wetenschappelijk onderzoek te worden, een van de zeldzame monumenten in de geschiedenis van de opvoedkunde, de pedagogiek en ontwikkelingspsychologie, aldus Breeuwsma. Was Victor, zoals de jongen ging heten, een exponent van de nobele wilde uit het populaire gedachtegoed van de romantiek van dat moment, nog niet bedorven door de cultuur en daardoor inherent goed? Of kon een kind dat zich volledig gedroeg als een dier nooit meer een denkend en moreel handelend mens worden? Was hij, met andere woorden, nog opvoedbaar? De jonge en ambitieuze arts Jean-Marie Gaspard Itard dacht van wel en ging met de jongen aan de slag. Leidraad bij zijn onderneming was de tabula rasa-gedachte van de Engelse filosoof John Locke: de jongen had bij zijn vondst nog het blanco brein waarmee hij was geboren. Als dat nu maar gevuld werd met de juiste ervaringen, dan zou Victor zich vanzelf als een gewoon mens gaan gedragen. Itard bleek veel te optimistisch. Victor leerde wel bij, maar lang niet genoeg. Vooral de taal bleek een onneembare barrière.
Zo mislukte Itards project jammerlijk, al heeft het wel gefungeerd als een scharnierpunt in het denken over de kinderlijke ontwikkeling, vooral in de geschiedenis van zwakzinnigen.
Even onmachtig blijken de fictieve opvoeders van Pippi Langkous, de nog steeds immens populaire creatie van de Zweedse auteur Astrid Lindgren uit 1945. Ongrijpbaar zijn deze twee vreemde kinderen allebei. Maar in tegenstelling tot Victor kan Pippi de volwassen wereld naar haar hand zetten. Zij is superieur: weet alles, kan alles, durft alles en redt zich prima zonder schoolse introductie in de cultuur. Breeuwsma legt een verband tussen Lindgren en een andere beroemde Zweedse propagandiste van de uniciteit van het kind, Ellen Key. Die schreef bij de start van de twintigste eeuw het programmatische vertoog De eeuw van het kind, waarin zij een lans brak voor een vrije, volstrekt kindgerichte opvoeding.
Pippi zou, een halve eeuw later, Key’s utopische kind kunnen zijn, het kind van de eeuw, zoals de Zweedse onderzoekster Ulla Lundqvist haar typeert. Een beetje ver gezocht misschien, vindt Breeuwsma, ook omdat Key in tegenstelling tot Lindgren de volwassenen wel degelijk een rol toedicht in de opvoeding. Die moeten juist ervoor zorgen dat het kind in vrijheid kan opgroeien. En daarvoor is heel wat ingrijpen nodig, zoals de Duitse pedagoog Theodor Litt al in 1927 in het schitterende Führen oder Wachsenlassen liet zien.
Als de intellectuele of emotionele ontwikkeling achterbleef, moest er gecorrigeerd worden.
Geconstrueerd of niet, het spanningsveld tussen terughoudendheid en bemoeienis loopt als een rode draad door de geschiedenis van de kindertijd. Naast fameuze denkers over dit dilemma uit het verleden die zich veelal beroepen op Jean-Jacques Rousseau haalt Breeuwsma actuele voorbeelden aan, zoals de huidige discussie over de tendens om kinderen steeds vroeger af te rekenen op schoolse prestaties. In Nederland, bijvoorbeeld, ontstond dit voorjaar commotie over het advies van de Onderwijsraad om de basisschool uit te breiden met een programma voor driejarigen. Tegenover het argument van de raad om zo de voor- en vroegschoolse ontwikkeling van alle kinderen te stimuleren wezen tegenstanders op de verschraling van de pedagogische omgeving door al die cognitieve programmas. “Een jong kind leeft in het spel, heeft fantasie, wil doen!”, zegt de site van de onlangs opgerichte Vereniging Het Jonge Kind. De ongeruste leden willen de kleuterjuf van vroeger terug, die wel oog had voor het eigen karakter van de kleutertijd.
Maar ook toen al gingen onder een schijnbaar eensgezinde benadering van het jonge kind meningsverschillen schuil, zo liet Maartje Hazenoot dit jaar zien in een proefschrift over de Nederlandse kleuterpedagoge Cornelia Philippi-Siewertsz van Reesema. Die introduceerde vlak voor de Eerste Wereldoorlog enthousiast de kleuterpedagogiek van de Italiaanse arts Maria Montessori in Nederland, maar nam er nadien teleurgesteld afstand van. Bij Montessori draaide het volgens Philippi steeds meer om de exacte toepassing van haar methode in plaats van om de vrije keuze en spontane concentratie. Bovendien verwaarloosde Montessori het belang van het spel, terwijl Philippi dat voor een kleuter nu juist van essentieel belang vond (Hazenoot, 2010).
De boeken van Breeuwsma en Turmel maken eigenlijk geen onderscheid tussen de ontwikkelingspsychologie en de pedagogiek, een derde wetenschap die zich met de kindertijd bemoeit.
Toch vertolken pedagogen, als het goed is, in het koor van deskundigen een eigen geluid, al was het maar omdat hun discipline al lang bestond voordat medici en psychologen het kind als aandachtsgebied ontdekten.
Over de Nederlandse geschiedenis van dit vakgebied publiceerde de Groningse hoogleraar in de grondslagen en de geschiedenis van de pedagogiek Jeroen Dekker in 2006 een rijk boek, dat hij Het verlangen naar opvoeding noemde. Een veelzeggende titel waarmee hij uitdrukte dat de behoefte om op te voeden diepgeworteld was in de Noord-Nederlandse mentaliteit, tenminste in de onderzochte periode, tussen 1650 en 1900. Wat door de tijd heen veranderde, was niet het pedagogische verlangen als zodanig, maar de omstandigheden waaronder dit gestalte kon krijgen. Waar de kindersterfte hoog bleef, de levensverwachting van ouders laag en de armoede breed verspreid, kon het verlangen naar opvoeding nauwelijks wortel schieten.
Turmel gaat nog net niet zover dat hij de hele ontwikkelingspsychologie bij het grofvuil zet.
Wat ook veranderde, was de invulling die pedagogische actoren aan hun verlangen gaven. In de Gouden Eeuw stond de opvoeding in het teken van een godsdienstig doel, het bereiken van zaligheid. De populairste vertegenwoordiger van dit pedagogische verlangen was bestsellerauteur Jacob Cats. Het Verlichtingsdenken bracht in Nederland aan het begin van de negentiende eeuw een andere dominante pedagogische cultuur, die van de deugdzaamheid. Deze ontwikkeling zette ook aan tot een sterke uitbreiding van wat Dekker de pedagogische ruimte noemt. Het gezin als opvoedingsmilieu kreeg in de loop van de eeuw steeds meer concurrentie van scholen, tehuizen voor verwaarloosde en criminele kinderen, en allerlei vormen van toezicht. Ook de materiële en demografische omstandigheden waaronder kinderen opgroeiden, verbeterden. Rond 1900 mondde dit alles uit in een ordelijke kindertijd, met leerplicht, kinderbeschermingswetten en interventies zoals consultatiebureaus, schoolartsen en het maatschappelijk werk. Gesteund door medische en psychologische wetenschappelijke inzichten ging de overheid zich meer en meer met de kindertijd bemoeien, al werd deze ambitie in Nederland wel begrensd door het bestaan van levensbeschouwelijke verschillen, waaruit in de twintigste eeuw de verzuiling ontstond.
Inmiddels klonk er aan het einde van de eeuw ook kritiek op al die regulering, omdat de eigenheid van het kind daardoor uit het zicht zou verdwijnen. De cri de coeur van de oude Kuyper aan het begin van dit artikel is er een voorbeeld van, maar ook professionele opvoeders als Jan Ligthart en Theo Thijssen luidden de noodklok. Zij maakten, mét mensen als Key, deel uit van een brede internationale reformpedagogische beweging, die in opvoeding en onderwijs vom Kinde aus wilde gaan. Ook zij voelden zich gesteund door de nieuwe ontwikkelingspsychologische inzichten. Hier kruist Dekkers betoog dat van de socioloog Turmel. Waar Turmel ontwikkelingspsychologen een centrale rol laat spelen in een narratio, een verhaal met als doel het brengen van orde in het chaotische fenomeen kindertijd, daar interpreteert historisch pedagoog Dekker hun wetenschappelijke vondsten terecht als een tijdgebonden ondersteuning van een behoefte aan pedagogische ordening die veel ouder is dan de negentiende eeuw.
Toch kent ook Dekker maar al te goed de kracht van het verhaal. Veel meer dan Turmel maakt hij voor zijn analyse, net als Breeuwsma, gebruik van de verbeelding van de kindertijd, en dan vooral op schilderijen. Zo presenteert hij de schilders van de Haagse School als voorlopers van de kindgerichte reformpedagogische beweging. Op het doek creëerden zij al in het laatste kwart van de negentiende eeuw een pedagogische arcadia, zoals Dekker het noemt. Kunstenaars als vader en zoon Israëls en de gebroeders Maris wilden de wereld van het kind uit vatten en schilderden dromerige meisjes met hun hondje of spelende kinderen op het strand. Zelfs zoiets rationeels als kennis vergaren kreeg een plek in de arcadia. In B.J. Blommers schilderij Schooltje spelen neemt de kinderwereld, verbeeld door vier kinderen rond een bank voor een boerenhuis, het onderwijs harmonisch op in het spel.
Het concrete, individuele kind achter de kindwetenschapper verdwijnt.
Brengt ordening van de kindertijd, of die nu medisch, ontwikkelingspsychologisch of pedagogisch wordt gefundeerd, dus tegelijkertijd diezelfde kindertijd om zeep? Je zou het, afgaande op Turmel, Breeuwsma en hier en daar ook Dekker, haast gaan zeggen. Maar gelukkig laat de geschiedenis ook altijd weer tegenkrachten zien. Zo werd het pure en ongeordende van de kindertijd door beeldende kunstenaars van vlak na de Tweede Wereldoorlog juist geïdealiseerd. In het kielzog van de internationale aandacht voor vernieuwende kunstuitingen, in Nederland sterk gestimuleerd door de directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum Willem Sandberg, ontstond destijds een sterke fascinatie voor de spontane en intuïtieve kinderlijke expressiviteit.
Ook de experimentele kunstenaarsbeweging van de Cobragroep met voor Nederland Appel, Constant en Corneille voelde zich verwant aan beeldende uitingen van kinderen. Nadat Sandberg in 1948 de tentoonstelling Kunst en Kind had georganiseerd, namen Amsterdamse kunstenaars en handenarbeiddocenten het initiatief voor De Werkschuit, een boot waar kinderen de gelegenheid kregen om in vrijheid hun creativiteit te uiten. Met verf en kwast avonturieren op een wrakke schuit, dat zou de oude Kuyper misschien wel een aantrekkelijk alternatief voor het spelen in de vrije natuur hebben gevonden.

Mineke van Essen is historisch pedagoog en emeritus hoogleraar genderstudies aan de Rijksuniversiteit Groningen. Haar artikel ‘Ontdekking of mythe? Het normale kind’ werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift De Academische Boekengids, nummer 83, november 2010.


Literatuur:
M. Hazenoot. In rusteloze arbeid. De betekenis van Cornelia Philippi-Siewertsz van Reesema
(1880-1963) voor de ontwikkeling van het onderwijs aan het jonge kind. Facilitair Bedrijf
Rijksuniversiteit Groningen. Groningen 2010.
E. Key. De eeuw van het kind. A.W. Sijthoffs Uitgeversmaatschappijen. Leiden 1903. (Oorspr. 1900.)
Th. Litt. Führen oder Wachsenlassen. Ernst Klett Verlag. Stuttgart 1927.
H. Röling. Zichzelf te zien leven. Herinneringen aan Nederlands en Vlaams gezinsleven 1770-1970.
Amsterdam University Press. Amsterdam 2006.

Category : Artikel