Oh, bent u er zo een!

Posted at juni 29, 2012 by

Wouter Pols > Het is al weer een paar jaar geleden dat me het volgende overkwam. Ik was op vakantie in Italië en kwam aan de praat met een Duitse student. Hij had zijn studie wiskunde afgesloten en volgde een lerarenopleiding. Ik vertelde hem dat ik als Lehrerausbilder werkte. Zijn blik veranderde. Hij keek me sceptisch aan. “Oh, bent u er zo een!”, zie hij me, “zo’n ­Buchhalter, iemand van de formats, de lijstjes gedragsindicatoren, de competenties.”

De afgelopen vijftien jaar is er een golf van competentiegericht onderwijs over Europa heen gestroomd. In de Verenigde Staten begonnen, stroomde de competentiegolf via Engeland naar het Europese continent. Het zijn allang niet alleen leraren meer die competentiegericht worden opgeleid, ook verpleegkundigen, huisartsen, maatschappelijk werkers, pedagogen en zelfs juristen krijgen competentiegericht onderwijs. Het hele mbo is in ons land competentiegericht opgezet.

De Franse onderwijskundige Jean-Pierre Astolfi noemt competentiegericht onderwijs een verkeerd antwoord op een reëel probleem. Het probleem is de relatie tussen theorie en praktijk. Die is problematisch. Theorieën kunnen niet direct worden toegepast. Een bekwame beroepsbeoefenaar doet meer dan alleen maar theorieën toepassen. Dat leidt tot de (terechte) conclusie dat een beroepsopleiding met alleen theoretische vorming tekort schiet. Een taal leer je niet door slechts de grammatica ervan en de woorden en hun betekenissen te leren. Zo leer je evenmin een vak door alleen de theorie ervan te leren. Wat maakt iemand dan tot een competente spreker of beroepsuitoefenaar? De taalkundige Noam Chomsky bedacht daar een mooie cirkelredenering voor. Een competente spreker beschikt over spreekcompetentie. Hij is in staat afhankelijk van de eisen van de situatie steeds weer ‘gepast’ te spreken. Dat geldt ook voor een competente beroepsbeoefenaar. Afhankelijk van de situatie weet hij steeds weer gepast te handelen. Je kunt dus pas weten of iemand competent is door te kijken naar wat hij doet. Chomsky noemt dat ‘wat iemand doet’ een performance. Dat betekent dat competenties alleen uit performances zijn af te leiden. Als we onze studenten vragen hun competenties te bewijzen, vragen we hen hun performances te beschrijven. De een is daar vaardiger in dan de ander. Maar het zegt weinig over hun beroepscompetenties. Astolfi wijst erop dat het beschrijven van performances niet alleen tot een enorme bureaucratie leidt, maar ons ook afhoudt van waar het bij een beroep echt om gaat: om ‘gepast’ handelen.

Als we willen weten of iemand een competente spreker is, zullen we naar hem moeten luisteren. Daarvoor moeten we zelf een competente spreker zijn. Pas als dat het geval is kunnen we bepalen of hij competent is. En dat geldt ook als we willen weten of iemand een competente beroepsbeoefenaar is. We zullen zelf competent moeten zijn; we zullen moeten kijken en luisteren naar wat de ander doet en zegt en naar zijn overwegingen moeten vragen. Waarom deed je en zei je dat? Op grond waarvan? Van een competente beroepsbeoefenaar verwachten we immers niet alleen ‘gepast’, maar ook doordacht handelen.

Daarom: weg met de formats en de uitgeschreven gedragsindicatoren! Reik theorieën aan, laat studenten stage lopen, bespreek met hen hun ervaringen en daag hen uit hun overwegingen te verwoorden en betrek daar gaandeweg steeds meer de aangereikte theorieën bij. Weg met al die papieren rompslomp! Op “Oh, bent u er zo een!” willen we toch iets anders kunnen zeggen dan: “Ja, je hebt eigenlijk wel gelijk: ik ben gewoon een boekhouder.”


Wouter Pols is verbonden aan het Kenniscentrum Talentontwikkeling van de Hogeschool Rotterdam.

illustratie: Leon Postma

Category : Column