Naar een activerende ‘welzijnszorg’

Posted at september 3, 2012 by

Toby Witte > Een van de grootste uitdagingen waar we in Nederland en zeker in Rotterdam voor staan, ligt in het opleiden van meer jongeren voor de arbeidsmarkt. Niet alleen kansrijke jongeren maar vooral ook kansarme jeugdigen. Ook zij hebben recht op een perspectiefvolle toekomst. Zorgwekkend is nog altijd het aantal voortijdige schoolverlaters zonder startkwalificatie. Door een opeenstapeling van proble¬men lukt het deze drop-outs niet hun opleiding af te maken. De kans op het vinden van werk is beperkt, zeker in de huidige tijd van economische recessie: ze belanden thuis op de bank, op straat of raken betrokken in illegale activiteiten. Dat is betreurenswaardig want onder deze jongeren bevinden zich toch velen met talentvolle potenties die niet of onvoldoende worden benut. Het gaat mij bij talent en talentontwikkeling niet om de best presterende jongeren, maar primair om het beste uit jongeren te halen: jezelf leren overtreffen. Met andere woorden: het benutten van onbenutte kwaliteiten. Natuurlijk toont talentontwikkeling treffende overeenkomsten met het aloude ‘verheffen’. Al in de jaren zestig en zeventig werd bijvoorbeeld in het club- en buurthuiswerk gewerkt aan het bevorderen van talenten van jonge clubhuisbezoekers (Witte, 2011: 51-52). In dit opzicht is er niets nieuws onder de zon. Zij het dat toen de nadruk meer lag op vorming, emancipatie en identiteitsontwikkeling op individueel en groepsniveau. De laatste jaren ligt het accent, ingegeven door het neoliberale discours, op de functionele dimensie van talentontwikkeling, dat wil zeggen: aanpassen en meedoen, dus scholing en arbeid.

Het talentverlies is niet alleen een onderwijsprobleem dat vervolgens uitsluitend binnen het onderwijssysteem moet worden opgelost. Talentverlies kent een nadrukkelijk verband met sociale armoede en maatschappelijke achterstand. Een belangrijke risicofactor is dat de sociale omgeving, waarin jongeren opgroeien, niet ondersteunend is voor talentontwikkeling. Immers, een langdurig werkloze vader of een bijstandtrekkende moeder strekt doorgaans niet tot stimulerend voorbeeld voor een kind of jongvolwassene. Om risicojongeren te helpen bij de vergroting van hun kansen op sociale inclusie en stijging zijn bevlogen, innovatieve en stimulerende professionals aan de frontlijn nodig. De belangrijkste sociale spelers zijn: leerkrachten, welzijnswerkers, hulpverleners en de opleidingsinstituten voor lerarenopleidingen en sociaal werk. Naar mijn smaak moeten we toe naar een meer perspectiefgerichte en talentgedreven ‘welzijnszorg’.

Hogescholen leiden nieuwe sociale professionals voor dit uitdagende en lastige werk op en behoren de huidige beroepsoefenaars in de praktijk innovatief te ondersteunen. Het roept de vraag op: Wat moeten sociale professionals kennen en kunnen om risicojongeren effectief te coachen naar en op school, naar en op de arbeidsmarkt en in hun sociale en persoonlijke omgeving? Hebben we daar wel voldoende oog voor binnen de huidige sociale opleidingen? Om die redenen is in september 2011 aan de Hogeschool Rotterdam een kenniscentrum Talentontwikkeling gestart en ben ik als lector ‘maatschappelijke zorg risicojongeren’ benoemd om me samen met docenten, studenten, onderzoekers en het werkveld te buigen over deze prangende vraagstukken die hoogst actueel zijn, gelet op de maatschappelijke kanteling van verzorging naar activering.

Risicojongeren
Rotterdam telt, volgens een notitie van de GGD Rotterdam-Rijnmond, bijna 5000 kwetsbare jongeren tussen 17 en 23 jaar van wie niet duidelijk is wat ze overdag doen. Het gaat grotendeels om voortijdige schoolverlaters, maar ook om enkele honderden zwerfjongeren en jongeren onder toezicht van voogdij of reclassering. Behalve het ontbreken van een zinvolle dagbesteding heeft een groot deel van hen allerlei problemen op het gebied van schuld, wonen, werken, inkomen, gezin en gedrag. Het vraagstuk is omvangrijker en complexer. Rotterdam heeft namelijk tevens van doen met probleemjongeren in de (leerplichtige) leeftijdscategorie van 10 tot en met 16 jaar. De ROC’s, het Jongerenloket, het ambulante jongerenwerk en de jeugdhulpverlening blijken ondanks hun inspanningen moeite te hebben de jonge ‘afglijders’ binnen te halen en vervolgens binnenboord te houden. Het heeft niet alleen te maken met het gedrag van de jongeren, maar eveneens met de ontwikkeling en professionalisering in ‘jeugdzorgland’ (Gemeente Rotterdam, 2011).
Door toenemende specialisatie van organisaties en specifieke financieringsstromen is een veelvoud van organisaties ontstaan die allemaal opereren ‘op de markt van zorg en welzijn’ en in heel wat gevallen van elkaar niet weten wat ze doen, laat staan goed samenwerken. Ook het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs zijn omkleed met een woud van aanpalende zorgvoorzieningen. We kunnen spreken van ‘aanbodverdikking’. Er is sprake van concurrentie en soms competentiestrijd. De beroepsspecialisatie komt tot uitdrukking in verzelfstandigde disciplines als pedagogiek, orthopedagogiek, sociaalpedagogische hulpverlening, maatschappelijk werk, schoolmaatschappelijk werk, jeugd- en jongerenwerk, opbouwwerk enzovoort. Het leidt onbedoeld tot vergruizing van het uitvoerend werk en verkokering van het beleid (taakoverlappende gemeentelijke diensten) met nadelige gevolgen voor de doelbereiking. Het ontbreekt in veel gevallen aan integraal maatwerk, terwijl juist een effectieve en vooral samenhangende zorgstructuur nodig is om risicojongeren op weg te helpen in de samenleving, naar school en werk (Geerlof, 2011).

Kanteling
Er is veel meer aan de hand. De vraag naar zorg- en welzijnsdiensten is groot en groeiend, terwijl de financiële middelen krimpen. Er vindt momenteel een kanteling plaats in de zorg- en welzijnssector. Die kanteling betreft niet alleen de bezuinigingen en gemeentelijke aanbesteding van subsidies maar ook de introductie van nieuwe oplossingsarrangementen, waarbij nieuwe vormen van hulp en ondersteuning ofwel vernieuwing van het ‘zorgdenken’ centraal staan. Kernwoorden, of misschien beter gezegd: de politiek ambtelijke toverwoorden, zijn zelfredzaamheid, eigen kracht, participatie, zorg voor elkaar en ‘outreachend’, integraal en gebiedsgericht werken. Ook hier geldt: op zich allemaal niet echt vreselijk nieuwe begrippen en concepten. In het verleden zijn ze met minder of meer succes beproefd. Wel nieuw is dat zorg en welzijn lijken samen te smelten tot ‘welzijnszorg’. De twee schuren in de praktijk steeds dichter tegen elkaar aan, waarbij het er langzaam naar uit gaat zien dat welzijn in belangrijke mate het loodje zal leggen. Dat is ook de mening (en angst) van mijn gesprekspartners in Rotterdam. Ik citeer er drie van de velen: “De traditionele vorm van welzijn, zorg en onderwijs gaat volledig op de schop”, “het welzijnswerk als apart instituut blijft niet langer dan vijf bestaan”, en: “We gaan het in de zorg- en welzijnssector alleen redden als vernieuwing komt (…) de sectoren moeten het vooral zelf en samendoen”.

Eenzelfde convergentie zien we ook tussen onderwijs en zorg. Schoolbesturen dienen voor hun probleem- en risicoleerlingen te zorgen voor een adequate zorgstructuur en moeten de opvoed- en opgroeiondersteuning afstemmen met jeugdzorginstellingen en de gemeente. Bovendien worden ze met het oog op de stelselwijziging passend onderwijs geacht nauwer samen te werken met gemeenten en jeugdzorg. Daar valt naar mijn mening nog een wereld te winnen. De zorgdrukte binnen het onderwijs lijkt me er juist door toe te nemen. De decentralisering van de jeugdzorg, de Wet werken naar vermogen en de stelselherziening Passend Onderwijs betekenen dat onderwijs en zorg meer geïntegreerd gaan worden, terwijl docenten juist behoefte hebben hun klassen te ontzorgen opdat zij zich kunnen toeleggen op hun corebusiness: lesgeven en opleiden (Boekhoud, 2011). In het huidige politiek-bestuurlijke klimaat wordt het accent gelegd op meedoen en vooral zelf doen: het gaat om perspectief bieden aan risicojongeren. Anders gezegd: vooral ontzorgen en zelfredzaam maken. Of dit nobele streven zal lukken, valt nog nader te bezien omdat er altijd groepen mensen zijn die het nooit in hun uppie en zonder structurele professionele hulp zullen redden. In ieder geval gelooft de gemeente Rotterdam – naar eigen zeggen niet alleen ingegeven door bezuinigingen – in het concept van zelfredzaamheid en eigen kracht.

Perspectiefgericht werken
Er zal in de uitvoeringspraktijken van de welzijnszorg meer nadruk moeten komen liggen op talentontwikkeling: scholing en arbeid. Daar hebben sociale professionals naar het mij voorkomt doorgaans nog te weinig oog voor. Ze zijn met de beste bedoelingen te zeer gefixeerd op hulpverlening en ondersteuning en minder op (toekomst) perspectiefgericht werken. Het gaat om economische zelfstandigheid in plaats van aan- en afhankelijkheid. Dat wordt in mijn gesprekken met het werkveld erkend. “Hulpverleners vinden het lastig om jongeren los te laten en willen hen zolang mogelijk beschermen. Belangrijk is aan het begin van een traject gelijk het toekomstperspectief scherp te krijgen.” Een ander: “Bij ons staat het herkennen, aanboren en stimuleren van talent nog te weinig op het netvlies van de eigen professionals. Bij een huisbezoek is werk en scholing niet altijd de meest pregnante en urgente vraag, maar zoiets moet daarna wel snel in beeld komen.”
Focus op de arbeidsmarkt en het hebben van een (start)kwalificatie zijn noodzakelijk. Dit neemt niet weg dat er altijd jonge ‘niet-kunners’ zullen zijn voor wie het behalen van een startkwalificatie lastig is, maar van wie een deel via deelkwalificaties en begeleiding naar de arbeidsmarkt hun weg naar economische zelfstandigheid kan vinden. Het hebben van een gedragstoornis houdt naar mijn opvatting niet per definitie het ontbreken van intelligentie en het definitief ongeschikt zijn voor werk in. Ik geef toe: eenvoudiger gezegd dan gedaan. De perspectieven voor laagopgeleiden zijn niet bij uitstek rooskleurig. Bovendien komen zij veelal terecht in tijdelijke banen, fysiek belastende en monotone beroepen en zijn ze werkzaam in conjunctuurgevoelige sectoren. Het is echt niet zo dat zolang je maar werk hebt de rest van zelf goed komt. Zo iets vergt coaching, soms zelf permanent. Het activeringsproces start met sociale professionals die de talenten en potenties van probleem- en risicojongeren meer centraal stellen en denken vanuit mogelijkheden in plaats vanuit beperkingen. De zorgwereld en de opleidingen voor sociale professionals geven daar momenteel mondjesmaat invulling aan. Perspectiefgericht werken vraagt om een andere manier van (samen)werken en opleiden, het vraagt deels om andere competenties en opleidingsprofielen. Ik suggereer niet dat we alle onderwijsmodulen overboord moeten gooien of moeten omgooien. Wel zou het onderwijs wat mij aangaat anders georganiseerd kunnen worden. Sowieso veel meer naar buiten gericht.

Anticiperen
Het valt mij tijdens een rondgang in het beroepenveld en uit gesprekken in de hbo-wereld op dat enigszins traag wordt geanticipeerd op de kanteling in de zorg-, welzijn- en onderwijssector en wat dit betekent voor de innovatie van het hoger beroepsonderwijs. We willen toch up-to-date professionals afleveren? Het besef is aanwezig dat er behoefte is aan een ‘nieuw’ soort professional, maar de houding is afwachtend. Is dit de zoveelste trend die komt en waarschijnlijk zal gaan? Ik denk niet helemaal, want los van deze kanteling stellen mijn gesprekspartners in het werkveld stuk voor stuk dat er toch andere competenties vereist zijn. Ik vat hun mening wat onelegant samen: “Er bestaat bij aankomend sociale professionals een zekere angst voor complexiteit. Studenten sociaal werk zijn vooral doeners. Ze kunnen nog weinig abstraheren, weinig doorzien en ontrafelen complexe situaties onvoldoende. Kennis en zicht van hoe politiek en bestuur werken, generiek kijken en samenwerken, zijn onontbeerlijk in ons vak. Sociaal werk is meer dan alleen willen werken met kindertjes. We hebben ‘outreachende’ straatpedagogen nodig die oog hebben voor de aspecten terugleiding naar school en toeleiding naar arbeid”. Sommige welzijnszorginstellingen maken zich zorgen over de kwaliteit van de gemiddelde professional: “Medewerkers kunnen te weinig conceptueel denken. Ik mis reflectievermogen. Belangrijk in een sociale opleiding is het legitimatievraagstuk. Een sociaal werker moet zijn handelen kunnen legitimeren, ten aanzien van bewoners, zijn organisatie en overheid. Hij moet kunnen reflecteren en dat gebeurt in de praktijk maar ook in de opleidingen te weinig”. Daar staat tegenover dat pas afgestudeerden de nodige ervaring ontberen. Zij zullen zich de praktijk nog eigen moeten maken en daar hebben instellingen en organisaties ook een verantwoordelijkheid qua begeleiding en training.
Er is maatschappelijk gezien vraag naar talentgedreven, activerende, breed inzetbare professionals, opererend in het sociale domein. Dit houdt in dat deze nieuwe werkers kennis van en een visie moeten hebben op de gevolgen van de WMO, de decentralisatie van de Jeugdzorg, de Wet werken naar vermogen en het Passend Onderwijs en in die kaders moeten kunnen optreden. Voor de sociale opleidingen betekent dit verbreding of op zijn minst aanpassing van gespecialiseerde opleidingen. Is het strikte onderscheid tussen pedagogiek, maatschappelijk werk, sociaalpedagogische hulpverlening en cultureel maatschappelijke vorming werkelijk nodig? Waar kunnen deze opleidingen elkaar versterken, waar zit de cross-over? Het gaat deels om het aanleren van generieke kwaliteiten. Naast generalisten en specialisten is er vooral behoefte aan integralisten, zo blijkt uit mijn interviews. Voor alle duidelijkheid: het is een wens die absoluut niet alleen leeft binnen gemeentekringen, maar die eveneens geuit wordt in lectorenkringen, welzijnssector, MOgroep en door (stedelijke) visitatiecommissies. Dat er een zekere omslag nodig is, wordt erkend door onderwijsmanagers en directieleden: “Het hoger beroepsonderwijs dient zich te verhouden tot de praktijk en ontwikkelingen in de praktijk. (…). Meer dan voorheen zal er tussen de diverse opleidingen multidisciplinair moeten worden samengewerkt, vooral naar buiten gericht, en met de focus op perspectief bieden en zelfredzaamheid. Er zou meer gemeenschappelijke kennisinhoud moeten komen. Er is behoefte aan samenwerking en niet aan concurrentie (…). De opleidingsprofielen leggen te zeer de nadruk op de methodische kant en werkwijze, terwijl het ook gaat om het bereiken van externe doelen, zoals opleiding (scholing) en arbeid.”
Samenlevingsopbouw (opbouwwerk) geniet hernieuwde belangstelling, terwijl deze werksoort bij menig hogeschool in het recente verleden is geschrapt. Hetzelfde geldt min of meer voor het jongerenwerk. Cmv-opleidingen worden in den lande gesloten. Een kritiekpunt is dat opleidingsinstituten te veel naar binnen zijn gekeerd en op zichzelf zijn gericht. Juist de maatschappelijke kanteling vraagt om meer coöperatie tussen opleidingsinstituten. Is het bijvoorbeeld niet wenselijk dat lerarenopleidingen meer gaan samenwerken met de sociale opleidingen? Op het terrein van passend onderwijs ligt samenwerking tussen Pabo en Lerarenopleiding en SPH en Pedagogiek toch voor de hand? Waarom zou een student aan de lerarenopleiding tijdens zijn studie niet een maand stage lopen bij het schoolmaatschappelijk werk en andersom een sph’er meelopen in een klas van vmbo of mbo? Hoe kan het uitstroomprofiel jeugdzorgwerker bijdragen aan het perspectiefgericht werken: het verbinden van zorg, onderwijs en arbeidsmarkt? Het is in dit opzicht jammer dat de opleiding Personeel & Arbeid vrijwel los is komen te staan van de sociale opleidingen en geïncorporeerd is in Human Resource en bedrijfskundige managementopleidingen. Daarmee is een kennislek ontstaan in het curriculum van de sociale opleidingen voor wat betreft jobcoaching, werk- en arbeidsmarktbegeleiding van risicojongeren. Ik zie helaas nog te veel dat allerlei disciplines in het hbo gescheiden optreden waar samenhang en samenwerking juist nodig zijn.


Dr Toby Witte is lector ‘Maatschappelijke zorg risicojongeren’ bij het kenniscentrum Talentontwikkeling van de Hogeschool Rotterdam.


Literatuur
Boekhoud, P. (2011). Pedagogiek als tweede natuur. Over de noodzaak van een kwalitatief hoogwaardige pedagogische relatie tussen leraar en leerling in het beroepsonderwijs (openbare les). Rotterdam: Rotterdam University Press.
Geerlof, J. (2011). De 60% maatschappij. Einde aan talentverspilling! Amsterdam: Thoeris.
Gemeente Rotterdam (2011). (Deel) programmaplan Kwetsbare jongeren in Rotterdam. Rotterdam: GGD.
Witte, T. (2011). Hart van de verzorgingsstad. Club- en buurthuiswerk in Rotterdam, 1920-2010. Apeldoorn/Antwerpen: Garant.

Fotografie: Silas Nout

 

Category : Artikel