Kleurenblindheid op niveau

Posted at april 26, 2011 by

In gesprek met pedagoog Trees Pels
Madeleine van Strijp & Bert Steenbeek > Trees Pels is sinds 1 juni 2009 bijzonder hoogleraar Opvoeden in de multi-etnische stad bij de faculteit der Psychologie en Pedagogiek van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Ze studeerde psychologie en promoveerde in 1991 op onderzoek naar de opvoeding en ontwikkeling van Marokkaans-Nederlandse en autochtone kleuters. Vanaf 2002 is zij senioronderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut te Utrecht. Tussen 2002 en 2004 voerde zij met collega’s van het instituut onderzoek uit in het kader van het Parlementair Onderzoek Integratiebeleid onder leiding van de VVD’er Stef Blok.

Geen stilstand, maar beweging
U doet sinds 1980 onderzoek naar opvoeding in Marokkaans-Nederlandse gezinnen. Wat zijn samengevat uw bevindingen?
“Het allerbelangrijkste is de dynamiek. De enorme beweging die mensen maken is belangrijk om te signaleren, omdat het haaks staat op de gangbare beeldvorming. In grote lijnen zien we een ontwikkeling van een meer autoritaire opvoedingsstijl naar een meer autoritatieve. Dus meer in de richting van de onderhandelingshuishouding: van meer afstand naar meer emotionele betrokkenheid bij kinderen, ook bij vaders. Die vaders staan doorgaans nog wel meer op afstand van het gezin en van de kinderen dan autochtone vaders, maar die ontwikkeling zie je ook bij hen.
De meiden zijn aan een enorme inhaalslag bezig. Ze hebben een ontzettende emancipatielust. Je ziet ook dat Marokkaans-Nederlandse vrouwen toenemend de arbeidsmarkt opstromen. Net als autochtone vrouwen houden ze van het anderhalfmodel.
De mannen blijven daarbij wel wat achter. Je ziet op het front van het ouderschap dat moeders doorgaans toch wat harder willen, soms door een bondje met de dochter aan te gaan. De boodschap is: jij gaat een ander leven leiden dan ik, jij wordt minder afhankelijk dan ik, jij wordt assertiever dan ik.
De strijd tussen de seksen is ook een en al dynamiek. Aan de ene kant zie je minder scheiding tussen de vrouwen- en mannenrollen. Aan de andere kant zie je ook wel dat mannen er de rem op zetten, want het gaat om hun autoriteit waar langzaam maar zeker aan geknaagd wordt. Hun zeggenschap, hun dominantie over vrouw en kinderen neemt zienderogen af.
De individualisering en de emancipatie gaan heel hard. Uiterlijk doet iedereen nog een beetje net als vroeger, maar binnen de gezinnen en families zijn er hele andere zaken aan de hand. Een deel van de vaders en de jongens is een beetje de verliezer, omdat ze het op het gebied van opleiding en werk niet trekken. Dat hangt natuurlijk ook samen met het milieu: het overgrote deel van de eerste generatie is afkomstig uit een laag opgeleide, naar binnen gerichte boerensamenleving. Daar is de opvoeding van een kind in principe rond de puberteit al klaar. Dan ga je als man schapen hoeden, een ambacht leren, proberen om aan de kost te komen en dan word je langzaam op die manier volwassen en verantwoordelijk voor jezelf. Die verantwoordelijkheid wordt dus ook eerder verwacht. Hier is dat niet het geval. Als de gemeenschap je niet beschermt en onder controle houdt, val je in het soort moratorium dat er hier voor kinderen is. Eigenlijk één grote vrijplaats van pakweg je twaalfde tot je vijfentwintigste: een beetje werken, een beetje reizen, een tijdje studeren, maar geen verantwoordelijkheden. Migrantenkinderen met laagopgeleide ouders vallen meer in een gat, want de oudere generatie denkt: ik ben klaar. Vooral de jongens uit die milieus worden vanaf de puberteit naar verhouding minder opgevoed. Die moeten man worden, die moet je loslaten, het zelfstandig leven zou moeten beginnen. De socialiserende invloed van de peergroep gaat dan zwaarder wegen. En daar komt nog bij dat ouders, vooral van de eerste generatie, het ook niet zo goed weten. Die zitten in die overgang, die hebben de bagage niet. Voldoen de jonge mannen dan niet aan de verwachting: jij moet het maken als man, dan gaan ze soms helemaal op in het contact met leeftijdgenoten. De vaders verpieteren en de jongens geven overlast. Als jongen in de peergroep kun je het met stoer machogedrag, zij het tijdelijk, wel maken. Dat zie je op school en op straat bij Marokkaans-Nederlandse jongens ook echt meer dan bij andere groepen.”

Individualisme en collectivisme
Zou dat opzichtige gedrag van die jongens ook een teken van een sterk individualisme, van een sterke geldingsdrang en creativiteit onder Marokkaanse Nederlanders kunnen zijn?
“Zeker, dat is ook het grote verschil met de Turkse gemeenschap. Je ziet in rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat Marokkaanse Nederlanders een relatief snelle individualisering doormaken. Je ziet niet zo’n hechte gemeenschap die voor eenheid, bescherming en controle zorgt, maar ook voor benauwenis, want daar lijden de Turkse kinderen dan meer onder, vooral de meiden.
Dat individualisme speelt dus zeker mee. Het was er in zekere zin in Marokko ook al, vooral onder de Berbers. Je kunt het negatief benoemen, zoals Frank van Gemert in zijn boek over criminaliteit onder Marokkaans-Nederlandse jongens deed: Ieder voor zich. Maar dat zegt het wel een beetje. Ik ben het niet met de suggestie eens dat dit de cultuur geheel zou tekenen, maar het zegt iets over de vroegere stammencultuur. Je kon de ene keer met de een optrekken en de andere keer met de ander: je sloot gelegenheidscoalities. Volgens mij komt dat onder de Turken minder voor: bij hen is de gemeenschap de gemeenschap. Opmerkelijk in dit verband is het hoge aantal echtscheidingen, in Marokko en onder Marokkaanse Nederlanders. Onder de Turkse Nederlanders zie ik meer een taboe op scheiding: je hoort bij elkaar te blijven.
De wetenschappelijke literatuur over opvoeden in Marokko schetst een socialisatie van ‘situationeel opportuun gedrag’. Het was waarschijnlijk heel functioneel in die stammensamenleving. Voor mij was dat echt een eyeopener, omdat ik bijvoorbeeld zag hoe sterk de vrouwen waren. Het zijn sterke mensen.
We zijn nu net bezig met onderzoek naar huiselijk geweld in verschillende bevolkingsgroepen. Ook daar lijkt onder de Turkse Nederlanders dat ‘verduren’, vanwege het oog van de omgeving en de te vrezen reacties, denk aan de angst voor roddel, zwaarder mee te spelen. Turks-Nederlandse meisjes, ook weer zo’n opmerkelijk contrast met hun Marokkaans-Nederlandse leeftijdgenoten, blijken meer depressief te zijn en suïcide te plegen.”

Afro-Amerikaanse en Aziatische tinten
Over sterke mensen gesproken: de vrouwen in de Nederlandse gezinnen van Afro-Caribische herkomst (Creoolse Surinamers, Afro-Antillianen en Kaapverdianen) zijn ook bepaald geen softies.
“Het grote verschil is het eenoudergezin dat eigenlijk bijna de standaard is. Ik ken de precieze cijfers niet: het is fiftyfifty of meer; het aantal moedergezinnen is minstens zo groot als het aantal tweeoudergezinnen. Dat geldt ook voor het land van herkomst, dus dat model is heel gewoon. Daar zijn meerdere verklaringen voor die hun wortels hebben in de slavernij. Je werd als paar uit elkaar gehaald. Sowieso is het in de herkomstlanden heel vanzelfsprekend dat je een kind alleen opvoedt als vrouw en dat je dat minstens zo samen met andere vrouwen in je omgeving doet als met de vader: de biologische vader of de nieuwe man of de latrelatie, die elkaar kunnen opvolgen. Vrouwen kunnen ook meerdere kinderen van verschillende vaders hebben, dat is allemaal redelijk geaccepteerd. Er is ook meer tienermoederschap, vergeleken met de Turkse en Marokkaanse Nederlanders.”

Hoe staat het met de kennis over opvoeding in Surinaams Hindoestaanse gezinnen in Nederland?
“Onder Hindoestanen hebben we wat minder systematisch onderzoek gedaan. Wat we wel weten is dat net als onder de Turkse Nederlanders depressie en suïcide onder jonge vrouwen verhoudingsgewijs vaker voorkomt. De verklaring lijkt een beetje hetzelfde, namelijk die hechte gemeenschap die enorme pogingen doet om alles binnenshuis te houden, om de meiden in het gareel te houden van netheid en van seksuele ingehoudenheid. Dat lijkt wel een beetje op het verhaal van de Turks-Nederlandse meiden. Er is wel een groot verschil naar mijn idee, namelijk de grote prestatiedruk onder de Hindoestanen. Die prestatiedruk zie je overigens ook bij de andere groepen, want dat hoort bij de migrant en het migrantenleven. De meesten zijn er toch om economische mobiliteit te realiseren. Het hoort erbij dat je erg op de prestaties zit van je kind. Soms is dat heel irreëel: ze moeten dokter en advocaat worden, terwijl de ouders door hun lage opleiding niets kunnen doen aan onderwijsondersteuning en vaak geen reële verwachtingen hebben. Maar ik heb de indruk dat dit onder Hindoestanen wel sterker is en dat dit ook meespeelt in het welbevinden van kinderen.”

Is dat typisch voor Aziaten?
“Ja, je ziet het bij Chinese ouders ook, dat klopt. Daar bij uitstek. Dat de kinderen uit die gezinnen naar verhouding echt een geïsoleerd bestaan leiden omdat ze zo hard werken. Dat zit ook in het opvoedingsethos: door hard werken laat je als ouder je opvoedingsmotivatie zien én je liefde. Dat verwacht je dan ook van je kinderen. Affectie uit zich in het zorgen dat het materieel goed gaat en dat iedereen een goed leven leidt op dat punt. In het China van nu lijkt de mens wel totaal ondergeschikt geraakt aan het werk, dat is ongelooflijk. Hoe nietig, hoe onbelangrijk mensen daar zijn, het is allemaal zo booming daar en tegelijk is er die enorme nietigheid. In de diaspora gaat het om die samenhang: zorg en liefde uit je door hard te werken voor je kind en dat verwacht je dan ook van je kind. Dus dat kind doet meer uren aan huiswerk dan welk ander kind ook. Dat is ten dele een verklaring voor het relatief grote schoolsucces van Chinese kinderen. Of dat ook voor Nederlands-Hindoestaanse kinderen geldt, is mij niet bekend.”

Houd op met die slachtoffer­mentaliteit!
Kenmerkend voor je onderzoek is dat je belang hecht aan het oordeel van de direct betrokkenen zelf. Hoe kijken de onderzochte ouders en hun (klein)kinderen naar hun opvoeding in Nederland?
“Ook daar zie ik een duidelijke beweging: het willen ophouden met die slachtoffermentaliteit. Die is vrij sterk aanwezig, ook onder hoogopgeleiden: iedereen is de schuld, de hele Nederlandse samenleving, wij worden gediscrimineerd. Dat laatste is zeker waar, maar je hebt persoonlijk niet zo heel veel aan die mentaliteit. Het helpt je alleen maar verder in de drek. Wat ik meen waar te nemen onder jongeren is een beweging de andere kant op: we laten dit niet op ons zitten, we nemen het heft in eigen handen, laten zien dat bijvoorbeeld de moslim heel goed kan passen in deze samenleving en hele goede waarden en normen heeft. Dat streven lijkt zich nog meer voor te doen onder moslimjongeren dan onder niet-moslimjongeren. De islam is een belangrijke escape uit al die narigheid. Het is een nieuwe identiteit die je losmaakt van dat stigma ‘Marokkaan’. Je komt dan wel in een ander stigma terecht, maar een met een sterke identiteit, die van moslim. Ineens ben je deel van een groter geheel: de wereldwijde gemeenschap van geloofsgenoten. Je ziet meiden die juist door hun orthodoxie willen bewijzen een goede moslima te zijn en zo kunnen emanciperen van hun wat meer traditionele ouders en hun verwachtingen. Ze stromen dan met een hoofddoek de arbeidsmarkt op. Een manier van individualiseren, want je zegt ook tegen je vader en je broers en je man: ik ben een heel goede moslima, ik laat me door niemand wat vertellen, alleen door Allah. Als dat geen individualisering is, maar dan onder de hoofddoek, nou dan weet ik het niet meer.”

Opleidingen Pedagogiek en ‘culturele diversiteit’
In uw rede Opvoeden in de Multi-etnische stad bij de aanvaarding van uw bijzonder hoogleraarschap op 11 juni 2010 pleit u voor intercultureel onderwijs. Wat verstaat u daar onder?
“Culturele diversiteit is voor mij niet eens het belangrijkste. Natuurlijk moet je een beetje kennis hebben van een andere kijk op de wereld, van een ander kindbeeld, andere ideeën over opvoeding. Maar ook van overeenkomsten in de opvoeding in verschillende milieus. Je moet ook goed weten dat het niet alleen etniciteit is die mensen maakt wie ze zijn, maar ook hun opleidingsniveau en of ze een vrouw of een man zijn, uit welke streek ze komen, hun plaats in de kinderrij, hun gezondheid en noem het allemaal maar op. Dat soort kennis is wel belangrijk, maar je moet ook weten dat nieuwe generaties een nieuwe cultuur maken. Die heeft misschien nog iets te maken met de oude cultuur, maar hij is in elkaar geknutseld met wat ze hier aantreffen: bricolage, zoals dat zo mooi in het Frans heet.
Je moet ook met hele moeilijke dingen om kunnen gaan, zoals politieke spanningen in je klas. Met wat in de maatschappij leeft rondom de Gaza-oorlog of de Palestijnse kwestie of terreurdaden door de politieke islam. Daar kunnen enorme emoties over ontstaan. Als die emoties zich hechten aan andere percepties en andere beelden, dan kan dat heel moeilijk zijn in een klas. De gemiddelde leerkracht heeft echt niet op de pabo geleerd om daar aan te gaan staan.
Daar moeten we echt in professionaliseren. We leren al om meer in dialoog met leerlingen te werken naar allerlei resultaten. De leerkracht moet de omslag maken naar het meer interactieve en reflexieve: wat speelt hier? Het gaat mij niet zo zeer om cultuurverschillen, maar om de omgang met kinderen die allemaal met eigen achtergronden, gevoelens, worstelingen en politieke opvattingen de klas in komen. Vroeger toen ik op school zat, zei ik niks. Zo geven we geen les meer. We zijn meer in dialoog. Op die manier moet je ook omgaan met diversiteit. Als er dus botsingen zijn, dan is het de kunst om die op te nemen in je werkvormen, zodat je kinderen helpt om er uit te komen.
Dat geldt eigenlijk voor heel veel sectoren, ook voor opvoedingsondersteuning. De toekomstige professionals krijgen in hun opleidingen nog veel te veel top-down mee: dit is je bagage en daar moet je het veld mee in. Terwijl je eigenlijk moet leren reflexief te werk te gaan. Wij vinden emancipatie belangrijk. Van een meisje en ook van een jongen. Maar als je een Turks-Nederlands echtpaar binnen ziet komen met een gehoofddoekt meisje er gedwee achteraan en de vader voorop, ga je niet zeggen: in Nederland moeten meisjes emanciperen, jullie meisjes moeten ook emanciperen. Die mensen komen nooit meer terug.”

Verkennen van de ander en van jezelf als professional
Dat overbrengen van die reflexieve werkwijze is ook het doel van de hbo- opleiding Pedagogiek van Hogeschool Rotterdam, maar de ervaring leert dat clichés over ‘wij’ en ‘zij’ en over de invloed van ‘dé cultuur’ daarop hardnekkig zijn. Hoe verbeter je dat als opleiding?
“Dat is een heel belangrijke vraag. Ik ben daar nu zelf onderzoeksmatig net mee bezig, samen met Pauline Naber van Hogeschool Inholland Amsterdam/Diemen. We gaan de universitaire bachelor Pedagogiek en de hbo-opleidingen Pedagogiek analyseren. Niet alleen de lesstof, maar ook de werkvormen, het inbrengen van casuïstiek en uiteindelijk ook het professionaliseren van docenten.
We moeten niet alleen denken aan de inhoud, de producten en de toetscriteria, maar ook aan de werkprocessen. Vergeet niet: er komen steeds nieuwe gezinnen binnen, bijvoorbeeld gezinnen die een trauma hebben meegemaakt. Dat levert nieuwe vraagstukken op en je kunt niet via de lesstof voortdurend actueel blijven. Mensen moeten meer procesmatig leren hoe je omgaat met het gegeven dat je ook als professional niet alles gelijk kan weten. Laat die moeder maar eerst vertellen hoe zij het ziet. Verken eerst maar gewoon hoe die ander is in plaats van meteen met een advies te komen.
Eigenlijk is de hele structuur van onze hulpverlening erg top-down. Ik vind het echt heel erg belangrijk dat die interactiviteit erin wordt gebracht, ook in het werken met klanten of met leerlingen. Iedereen heeft een stukje van het wiel. We hebben allemaal een beetje gelijk. De onzekerheid, die blijft. Dat vraagt misschien wel een hoger opleidingsniveau: omgaan met onzekerheid en daar professioneel in zijn, dat is niet zo eenvoudig.”

Kruispuntdenken
Kortom: verken in alle openheid de persoon en bepaal vervolgens je taak als hulpverlener. Dan lijkt het verstandig om dat begrip ‘diversiteit’ los te laten, omdat mensen dat vooral blijven associëren met ‘mensen van een andere cultuur’.
“Dat is op zich waar. Laatst kwam ik iemand tegen die werkt op de UCLA, de University of California in Los Angeles, die heel ver is op het gebied van diversiteitbeleid. Hij zei, en dat vond ik heel mooi: ik ben weer terug bij kleurenblindheid, maar op een hoger niveau. Dat denken over diversiteit, dat ‘kruispuntdenken’, zit er wel onder maar je probeert toch de mensen weer als individu te zien zonder naïef kleurenblind te zijn.”

Dan zijn we dus terug bij het aloude begrip ‘empathie’. Maar hoe dóe je dat?
“Je kunt empathie heel westers, individualistisch, invullen. In veel opvoedingsonderzoeken viel het mij meteen al op dat in de operationalisering van items op empathie- en responsiviteitsschalen veel ‘autonomie’ zat. Er zat een individualistische bias in dat instrument. In het Nederlandse denken over responsiviteit ligt dat heel dicht bij elkaar. Dus via responsiviteit stimuleer je het kind om zich als individu te ontplooien. Terwijl een moeder of een vader een kind ook kan stimuleren tot betrokkenheid op de ander, tot sociale verantwoordelijkheid. Daarvoor open staan is een genuanceerder vorm van empathie.
Samen met collega’s heb ik een boekje geschreven: Meetladder Diversiteit Interventies (Utrecht 2009) dat was gericht op het ontwikkelen van een instrument om interventies op hun diversiteitgevoeligheid te screenen. Achter interventies die vaak op westerse leest geschoeid zijn, kan in wezen individualisme schuilen. We hebben nog niet het hogere stadium bereikt, een soort metaniveau, dat je naar jezelf en je eigen wereldbeeld kritisch kan kijken en doorziet dat je denken en handelen beïnvloed is door dat individualisme. Dat is de ontwikkeling die iedereen van ons in deze multi-etnische maatschappij moet doormaken en die kinderen die nu in die context opgroeien misschien al vanzelf meekrijgen.
Ik heb me dat echt zelf moeten leren. In mijn eerste gesprek met Marokkaanse moeders was ik heftig teleurgesteld omdat ik dacht: ik krijg geen antwoord op mijn vraag. Ik vroeg: vertel eens iets over je kind, en ik verwachtte iets unieks, ook iets over eigenwijsheid en iets stouts. Niets daarvan, het was een en al braafheid wat de klok sloeg. Tot ik er op een gegeven moment achter kwam: dit is haar kindbeeld, dit is wat haar leidt in haar opvoeding. Als er geen vreemde grote mensen bij zijn, is er in dat gezin ook allerlei spontaniteit, alleen voor haar is dat niet een na te streven doel en daarom ‘ziet’ ze het niet. Maar als je het levensverhaal van die moeder laat zien: ze komt daarvandaan, zij is heel streng opgevoed in een heel andere context waar de strijd om het bestaan alles overvleugelde, zij heeft die enorme afstand tot haar vader en haar moeder beleefd, dan begrijp je dat ze zich heeft voorgenomen: mijn kind moet niet bang zijn voor mij. Dan kan ze best nog wel slaan, maar als er ook liefde en aandacht is, dan komt dat slaan in een heel ander licht te staan dan wanneer je dat verhaal niet kent. En verder vind ik het ook belangrijk om te laten zien: waar gaat zij naartoe? Dan zegt ze bijvoorbeeld: ik hoop en ik verwacht dat mijn dochter niet het leven zal leiden dat ik heb geleid, maar meer zelfvertrouwen ontwikkelt, want dan laat je jezelf minder makkelijk aftuigen door je man. Die beweging moet je laten zien.
Zodra er iets over Marokkaans-Nederlandse jongens in de krant staat, is in het huidige politieke klimaat de reflex: de opvoeding! Het is de schuld van de ouders. Wees niet te ongeduldig. Net als met de Surinamers: 20 jaar geleden waren die the talk of the town met hun criminaliteit en hun gehossel. Hoor je er nu nog ooit van? Nee, we moeten geduld hebben. Dit zijn processen die tijd nodig hebben. De Marokkanen in Nederland gaan heel hard alle kanten op, maar óók de goede kant.”

Het huidige kabinet lijkt dat geduld niet te hebben. Hoe verhoudt u zich tot dat gegeven?
“Verduren, uitzitten en gewoon doorgaan. Wilders is één verhaal, maar het andere verhaal is wat er in de praktijk gebeurt. Jullie maken een blad. In de praktijk zijn we allemaal bezig en heus niet allemaal van ‘hup, assimileren, inburgeren’. Daaraan ontleen ik wel optimisme.”


Belangrijke publicaties van Trees Pels

Distelbrink, M., Geense, P. & Pels, T. (2005). Diversiteit in vaderschap. Chinese, Creools-Surinaamse en Marokkaanse vaders in Nederland. Assen: Van Gorcum.
Pels, T. (1991). Opvoeding in Marokkaanse gezinnen in Nederland: de creatie van een nieuw bestaan. Assen: Van Gorcum.
Pels, T. & Gruijter, M. de. (2005). Vluchtelingengezinnen en Integratie. Opvoeding en ondersteuning in Iraanse, Irakese, Somalische en Afghaanse gezinnen in Nederland. Assen: Van Gorcum.
Pels, T., Distelbrink, M. & Tan, S. (2009). Meetladder Diversiteit Interventies. Verhoging van ­bereik en effectiviteit van interventies voor (etnische) doelgroepen. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut (www.verwey-jonker.nl)
Pels, T. (2010). Opvoeden in de multi-etnische stad. Oratie. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut (www.verwey-jonker.nl).

Category : Interview