In het sociale domein is iedere ­situatie uniek

Posted at december 6, 2011 by

Will van de Laak > in gesprek met Joop Berding
Vanwaar je belangstelling voor het werk van Hannah Arendt?
Via mijn collega en goede vriend Wouter Pols heb ik daarmee kennis gemaakt, toen we samen aan Schoolpedagogiek (2009²) schreven. Wat mij heel erg aantrok, was dat haar werk een volstrekt andere kijk presenteert op de verhouding tussen het private, het sociale en het politieke. Hannah Arendt oriënteert zich in een deel van haar politieke werk op het antieke Griekse denken. In de gang van zaken in de polis, de stadstaat Athene, zag zij een model voor wat je onder politiek zou kunnen verstaan: burgers die samenkomen om allerlei zaken te bespreken die hen bezighouden. Dit vereist voor alles de moed om voor je standpunt uit te komen. Wat plechtig gezegd, stelt Arendt: “In het politieke onthult de mens zichzelf”. Zij benadrukt het belang van handelen en daarin vooral het spreken. Binnen de hiërarchie die Arendt aanbrengt in het actieve leven van de mens is het uitkomen voor je mening in de openbare ruimte het hoogste, het is wat ons het meest menselijk maakt (Arendt, 2009).
Onder de titel ‘Het onmeetbare handelen’ heb ik een artikel geschreven over de fragiliteit van de opvoeding (Berding, 2009). Typerend voor het handelen daar is dat het broos, fragiel is. Het is erg vluchtig, het laat zich nauwelijks sturen of regelen. Op het moment dat het gebeurt, is het er en daarna is het weer weg. Ik vond het juist zo mooi dat je het denken van Arendt kunt gebruiken in het debat over de vraag: Wat is er op dit moment precies aan de hand in dat agogische veld? Het gaat mij hier om het hele terrein van zorg, hulpverlening en onderwijs: het hele domein waar beheersing- en controleparadigma’s zijn gaan heersen. Met Arendt kunnen we daar een kritisch tegengeluid laten horen.

Welke betekenis kent Arendt toe aan het onderscheid tussen arbeiden, werken, handelen?
Het enige lot dat ons treft is eigenlijk het arbeiden. Onder ‘arbeid’ verstaat Arendt een reeks processen die alle levende organismen in stand moeten houden willen ze leven, zoals de dagelijkse zorg voor voeding en slaap. Dit arbeiden omvat een levenscyclus van vergaan en reproductie en weer vergaan. Dit onderhouden van allerlei basale processen is niet wat ons uniek menselijk maakt.
Werken omvat volgens Arendt het scheppen van onze gebouwde en gemaakte omgeving. Ten opzichte van het arbeiden (dat vergankelijkheid met zich meebrengt) geeft het werken een zekere permanentie aan de wereld: het feit dat we gebruiksvoorwerpen hebben, geeft aan ons leven een zekere stabiliteit. Niet voor niets noemt zij deze voorwerpen ‘kunstproducten’. Denk aan de ambachtelijke vioolbouwer waar Sennett (2008) aan refereert. Langzamerhand hebben mensen geleerd om voorwerpen te fabriceren die op hun beurt voorwerpen fabriceren. En toch, zegt Arendt, schuilt ook daarin niet het uniek menselijke. Ook primaten bereiken een redelijke mate van manipuleren van voorwerpen om een bepaald doel te bereiken.

Is het belang van handelen, in de betekenis van het uniek menselijke ‘je uitspreken’, beperkt tot de publieke sfeer?
Bij Arendt vallen het handelen en het politieke (dus niet: ‘de politiek’) samen. Zij heeft het over burgers die samenkomen om dingen te bespreken áls burgers. Dat is niet zonder kritiek gebleven: als men het politieke zó beperkt tot handelen in de polis, waar blijft dan nog ruimte over tot handelen daarbuiten? De vertaalslag die ik graag maak is dat ook binnen instituties wordt gehandeld. Want je kunt je heel goed voorstellen dat in allerlei sociale organisaties en scholen mensen met elkaar spreken, problemen op tafel leggen, zó overleggen dat ieder een gelijke inbreng heeft en dat wordt besloten op grond van ratio en argumentatie. Er zijn heel goede redenen om dit te rekenen tot zoiets als ‘sociaal burgerschap’. Ook Sennett heeft de vinger gelegd op deze zwakke plek in het denken van Arendt: zij miskent van hoeveel gewicht het ambachtelijke voor mensen is. Hoe aanlokkelijk het ook is haar Griekse denken te volgen, met inbegrip van de connotaties die het heeft van ‘op het toneel verschijnen’, je moet uitkijken dat je niet wordt meegesleurd door prachtige analogieën.

Deel je de vrees van Arendt dat consumentisme en maakbaarheidsdenken de sociale en privéwereld gaan overheersen?
In opvattingen over burgerschap en hoe er tegen leerlingen en cliënten wordt aangekeken (in termen van afnemers van producten en diensten) zijn zeker ook vormen van consumentisme en van massaproductie aan te wijzen. Ik deel die kritiek wel. Bij Arendt zit er, denk ik, het idee achter dat mensen in de massa de gelegenheid krijgen weg te lopen voor individuele verantwoordelijkheid.
‘Keuzes maken’ kan omgekeerd ook een connotatie hebben met doorgeschoten individualisme. Tegenwoordig ben je allemaal verantwoordelijk voor je eigen keuzes, je eigen verzekering, voor heel veel ‘eigen, eigen, eigen’. In het regeerakkoord van Rutte-1 komt talloze malen het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid ‘ voor. Dat is de neoliberale wind die waait.
Het risico op hyperindividualisme zien we ook bij het gesprek over ‘talentontwikkeling’. Het gaat dan vooral over het individuele talent van de leerling. We vergeten dat talentontwikkeling zich altijd binnen een sociale omgeving voordoet, sterker: talenten kúnnen zich alleen binnen een sociale context ontwikkelen. Je hebt hulpstructuren nodig, denk aan het pedagogisch klimaat binnen een school. Gaat het daar inderdaad alleen om het stimuleren van individuele talenten en cognities of heerst daar ook een sociale spirit onder leerlingen en tussen leerlingen en opvoeders, is er verbondenheid met elkaar, willen we – als klas – ook proberen met elkaar ver(der) te komen? Als je dat doordenkt dan krijg je andere dingen te zien: niet alleen individueel werk, maar ook vormen van samenwerkend leren. Dat roept wel allerlei vragen op, zoals: dagen we iedereen wel voldoende uit?
Het betekent niet dat het zonder onenigheid of strijd zal gaan. Bij onenigheid, bij het oplossen van problemen kun je kinderen helpen zich te ontwikkelen. Bij groepsleven horen ook uitval, problemen, ruzies.

Hoe gaat het onderwijs daarmee om?
Ik zie een tendens tot hyperindividualisering. Bij toetsregimes en -procedures op scholen zie je de individuele scores overheersen. Vanuit ontwikkelingsdynamisch perspectief bezien heeft het toetsen van heel jonge kinderen eigenlijk weinig zin. Je weet dat het morgen of over een week totaal anders kan zijn. Paradoxaal genoeg proberen toetsen vast te leggen wat eigenlijk erg dynamisch is. Dat is één kant van de zaak. De andere kant is dat het zeker nuttig is met behulp van toetsen vast te stellen wat een kind op enig moment kan en weet. Maar soms wordt er oneigenlijk gebruik van gemaakt om bijvoorbeeld uitspraken te doen over allerlei andere kwaliteiten, zoals de kwaliteit van de leerkracht of van de schoolorganisatie.

Wat voor dilemma’s zie je in het sociale werk?
De professional werkt binnen een organisatie die wordt aangedreven door financiële en concurrentieoverwegingen op een markt. Maar sociale instellingen gaan vaak om met mensen die zó in de penarie zitten dat er, wat Kunnemann ‘trage vragen’ noemt, aan de orde zijn (Kunneman, 2009). Er ontstaat een soort spagaat: aan de ene kant is er een enorme druk om ‘te leveren’ volgens bepaalde voorwaarden, binnen bepaalde termijnen en met afgesproken resultaten, terwijl aan de andere kant de cliënt in het maatschappelijk werk, het onderwijs of de jeugdzorg, gewoon tijd nodig heeft om uit zijn of haar problemen te komen. Bij trage vragen helpt het niet echt als je zegt: ik heb nu een kwartier of een half uur voor het consult, want daarna moet ik mijn tijd benutten voor het invullen van uw dossier.
Als ik werkers in het onderwijs en de jeugdzorg hoor over protocollen, procedures en administratie, allemaal zaken van ‘de organisatie’, en over de verhouding tussen de tijd die beschikbaar is voor het direct helpen van cliënten en de tijd voor de organisatie, dan denk ik dat daartussen een wanverhouding is ontstaan. Soms is het nodig de bureaucratie te omzeilen door het eigen netwerk aan te spreken.

Moeten beroepskrachten voorrang geven aan de vereisten van het beroep boven de eisen van de instelling?
Je bent werknemer, dat betekent dat je je herkent in en bijdraagt aan de missie en de doelen van de organisatie. De vraag is wel of je je daarmee zodanig volledig moet identificeren dat je je eigen normatieve opvattingen opzij moet zetten. Over wat er gebeurd is ten tijde van het Derde Rijk in Duitsland heeft Arendt haar boek Eichmann in Jeruzalem geschreven (Arendt, 2007). Zij zag in Eichmann de bureaucraat die volkomen vanuit efficiencydenken handelde binnen het opgelegde kader van het nazisme en meer specifiek van de ‘Endlösung van het Jodenvraagstuk’. Ik denk dat die lijn van Arendts werk heel indringend is en tot overdenken stemt. Wij werken als professionals natuurlijk allemaal binnen bureaucratische organisaties. In hoeverre zijn we, in de woorden van Kunnemann, normatieve professionals? Denken we voldoende na over de doelen waarmee we bezig zijn? Ruimte voor reflectie daarop is voor mij wel een heel wezenlijk punt.
Ik denk dat het een buitengewoon moeilijk dilemma is wanneer eisen van het beroep en vereisten van de functie met elkaar op gespannen voet staan. Iedereen moet vooral zelf de knoop doorhakken. Werk betekent ook gewoon ‘je brood verdienen’. Aan de andere kant zijn er ethische professionele normen en je persoonlijke waarden en normen.

Is de normativiteit van sociale beroepen vergelijkbaar met de ethiek van een arts?
Het verschil met artsen, advocaten en dergelijke is (en dat is misschien een provocatieve opmerking) dat zij een professie zijn, terwijl je je in het sociale domein kunt afvragen of wij als sociaal werkers en onderwijsmensen een professie hebben met vergelijkbare algemeen geaccepteerde standaarden en kennisbases.
Dat komt omdat in ons sociale domein iedere nieuwe situatie uniek is. In een concrete situatie waarin je handelt, activeer je een impliciet weten. In een klas waarin van alles aan de orde is, gaat een leerkracht niet denken: Zal ik hier nu gebruik maken van de theorieën van het behaviorisme of van een andere theorie? Nee, hij handelt naar beste kunnen op dat moment. Later kan hij reflecteren en de vraag stellen: Wat heb ik precies gedaan, zou ik dat een volgende keer weer kunnen gebruiken? Misschien wel.
In mijn denken is een aantal parallellen herkenbaar met het werk van Sennett over ambachtelijkheid:

  1. Een ambachtelijk iemand moet geduld hebben. Als er iets kenmerkend is voor een sociale of pedagogische vakman dan is het wel geduld. Dat is, net als geloof en vertrouwen in cliënten, bepalend voor je professionele habitus.
  2. Een vakman leert van weerstand. Denk aan pottenbakkers of vioolbouwers. Wij ondervinden in ons werk sociale weerstand: kinderen die niet meedoen of een cliënt die niet komt opdagen. Als agogische professional moet je openstaan voor die weerstand.
  3. Improviseren. Een prachtig iets. Improviseren betekent iets oppakken ‘omdat het zich voordoet’, niet omdat je methodiek a of b hebt gekozen, maar omdat de cliënt onvoorzien reageert en de vraag is: hoe reageer ík daarop?
  4. Trots op je werk. Onderwijs en welzijn staan onder een enorme druk om allerlei prestaties te leveren, maar het lijkt erop of de waardering voor het beroep van leraar en sociaal werker evenredig daarmee keldert. Maak duidelijk hoe belangrijk je werk is, zowel cognitief als sociaal.
  5. Het allerbelangrijkste is dat een vakman niet alleen dingen doet, maar ook nadenkt over de resultaten. Als iets fundamenteel is voor een (ped)agogische professional, dan is het de combinatie van doen en denken. De reflectie op het handelen is wezenlijk.

Gebeurt dat doordenken voldoende?
Studenten leren het tot vervelens toe maar ik acht de kans groot dat ze het allemaal weer snel vergeten op het moment dat ze als beroepskracht werkzaam zijn. Omwille van tijdsdruk en ‘leveren’. Ik zou willen dat er meer aandacht kwam voor reflectie, vooral door gezamenlijk nadenken door middel van intervisie. Dat zou moeten behoren tot het standaardpakket van leerkrachten en sociaal werkers.

Zeg je daarmee: niet hulpverlenersmodellen of protocollen moeten centraal staan in opleidingen tot het beroep, maar het unieke van leerlingen en cliënten?
Ik vind eigenlijk beide. Er zijn protocollen en procedures die je nodig hebt. Je moet wel beseffen dat het hulpmiddelen zijn. Je moet erg uitkijken voor een doel-middel-verwisseling. Je moet er trots op zijn dat je de cliënt hulp hebt kunnen bieden, niet dat je protocol a of b hebt gevolgd. Het doel is natuurlijk niet om archieven en dossiers te runnen.
De spanning tussen doel en middel zie je nu in veel organisaties. Kennelijk is de maatschappelijke druk op ons werk zo heftig dat we in een soort verantwoordingsmanie terecht zijn gekomen. Bij de overheid lijkt een wantrouwen te heersen ten opzichte van het (ped)agogische domein. Men denkt dat professionals voortdurend zullen proberen hun eigen gang te gaan, zonder verantwoording af te leggen. Vandaar dat er inspecties zijn en afrekensystemen enzovoort. Voor je het weet heb je het bij kwaliteitszorg vooral over dat soort zaken.

Denkend aan Achterhuis: Is het gevaar niet reëel dat je door zo’n werkwijze problemen genereert in plaats van problemen oplost?
Dat is zeker niet denkbeeldig. Het heeft ook te maken met onze voortgaande wens om wat dan ook in het menselijk gedrag te etiketteren. DSM – V, het vernieuwde handboek met psychiatrische diagnoses, komt er aan en dat zal het aantal afwijkende gevallen met flinke sprongen doen toenemen. Door toenemende diagnosticering wordt een markt gecreëerd voor interventies en dat zullen niet allemaal sociale, maar in toenemende mate ook medicinale interventies zijn. Misschien is dat wel een groter gevaar voor ons soort werk dan de politiek. De medicalisering schrijdt geducht voort.

Overdiagnosticering gaat hand in hand met maakbaarheidfantasieën?
Ja. Het sociale proces krijgt steeds meer maakbaarheidstrekken. We benoemen een probleem, ontwikkelen daarop een minimethodiek en als het dan niet werkt dan resteert kennelijk een subgroep van probleempjes, waarvoor we weer een volgende categorie plus methodiek bedenken. Het idee dat ik aan Arendt ontleen is dat het intermenselijke verkeer steeds meer trekken krijgt van maakbaarheid en daarmee van (veronderstelde) voorspelbaarheid en controleerbaarheid. Dat staat haaks op het idee van menselijk handelen als fragiele transacties die zich nauwelijks laten voorspellen. Je wéét niet wát jouw actie uitlokt, iemands handelen is altijd een bijdrage aan wat Arendt een ‘web van relaties’ noemt, aan een al bestaand netwerk. Daaraan lever je door jouw actie een bijdrage en je hebt geen idee hoe dit uitpakt, het blijft principieel onvoorspelbaar. Ik vind dat een heel mooie visie: het getuigt van een grote openheid ten aanzien van menselijke mogelijkheden.

Zijn sociale en pedagogische werkers al te volgzaam?
Het onderwijs biedt een heel gemengd beeld van scholen waar met veel overtuiging en inspiratie wordt gewerkt maar ook scholen waar een malaisesfeer lijkt te hangen. Als je ziet wat er zich buiten de school afspeelt en wat de school binnenkomt, dan heb ik grote bewondering voor mensen die dag in dag uit onder moeilijke omstandigheden werken. Vaak met kinderen uit gebroken gezinnen of uit gezinnen met een migratieachtergrond.
Bovendien worden er graag problemen over de schutting van de school gekieperd. Al tientallen jaren legt de overheid het onderwijs steeds nieuwe vakken op, steeds nieuwe vormingsgebieden. Daardoor dreigt een versplintering van het curriculum in ontelbare kleine stukjes. Vanuit ontwikkelingspsychologisch perspectief bezien is het leven van kinderen één geheel. We verspillen veel energie doordat we onze aandacht moeten spreiden over nog weer kleinere, nog weer nieuwe zaken die helemaal geen organisch verband houden met elkaar.

Speelt dat ook binnen de opleidingen tot sociaal werkers en pedagogen?
De eenheid van beroep en de eenheid van handelen moet je ongelooflijk goed bewaken. Ik vind het een risico als in de opleiding te veel kleine onderdelen voorkomen, het geheel dreigt dan verloren te gaan. Het gevaar dreigt dat toekomstige beroepsbeoefenaren in minicompetenties gaan denken. Maar ze zullen er snel achter komen dat je, wanneer je voor een groep staat of met cliënten werkt, aan al die losse competenties niet zo veel hebt. Er wordt dan een beroep gedaan op je totale inzet.

Als je nu tips moet geven aan een sociaal werker?
Probeer binnen de mogelijkheden die je hebt binnen de organisatie toch ruimte te creëren voor die ‘trage vragen’. Wijs er voortdurend op dat je er uiteindelijk bent voor de cliënt of voor dat kind. Blijf verkondigen dat een organisatie een hulpmiddel is. Jouw taak is ‘er te zijn‘ voor jouw cliënt. Wees je bewust van je professionele ethos. Wat is je drive om met sociaal werk bezig te zijn? Als je daar met professionals over praat dan gaat het toch vaak om zaken als ”ik heb iemand als mens verder kunnen helpen”, “ik heb geholpen bij het tot klaarheid brengen van problemen”. Natuurlijk moet je beschikken over een handelingsrepertoire en methodieken, maar je moet ook beschikken over een aantal oude, klassieke karaktereigenschappen als geduld, trots, moed en vertrouwen. Ik zou de professionals-in-opleiding op de Hogeschool toewensen daar meer bij stil te staan.


Literatuur
Arendt, H. (2007). Eichmann in Jeruzalem. Amsterdam: Olympus.
Arendt, H. (2009). De menselijke conditie. Amsterdam: Boom.
Berding, J. (2009²). Schoolpedagogiek. Opvoeding en onderwijs in de basisschool. Groningen & Houten: Noordhoff Uitgevers.
Berding, J. (2009). Het onmeetbare handelen. Hannah Arendt over de fragiliteit van de
opvoeding. In: Pedagogiek (29), 2, 140-154.
Kunneman, H. (2009). Voorbij het dikke-ik. Amsterdam: SWP.
Sennett, R. (2008). De ambachtsman. Amsterdam: Meulenhoff.

Category : Interview