Ik dans en ik zing: al zestig jaar welvaart zonder oorlog

Posted at mei 5, 2010 by

Vanuit zijn kamer op de begane grond van het Maagdenhuis ziet een raam uit op de Voetboogsteeg. Eén steeg verderop werden in 1969 tijdens de bezetting van het Maagdenhuis de studenten via een provisorische luchtbrug voorzien van spijs en drank en overladen met kartonnen dozen vol solidariteitsbetuigingen. Waar rumoer en opstand toen de toon zetten, heerst nu stilte. In de werkkamer een bureau met pc, een wand met boeken, enkele fauteuils, een lage koffietafel. Voor Abram de Swaan stopt werk niet met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd: recentelijk verzorgde hij een reeks colleges aan Columbia University in New York.

Naar aanleiding van de kredietcrisis en het omvallen van Lehman Brothers in de herfst van 2008 hield u voor een gehoor van bankiers een lezing op een symposium van de Nederlandse Bank over het thema ‘integriteit’ – een betoog dat het karakter droeg van een filippica (NRC Handelsblad 30/10/2008). U hekelt daarin ‘de gevaarlijke dwaling van het marktfundamentalisme’ en de als ‘vormingscentra’ kakelende Business Schools. Hoe oordeelt u over de ontwikkelingen van het afgelopen jaar?

Allereerst valt op dat nogal wat economen nu al niet meer weten waar ze vorig jaar nog voor pleitten. Nobelprijswinnaars, in het bijzonder in de VS,  hielden tot voor kort vurige pleidooien voor een volstrekt vrije markt. Elders was die radicale leer erg omstreden, maar in de VS heerste een onbeperkt vertrouwen in de marktwerking en bovendien in de voorspellende waarde van statistische modellen. Er was weinig interesse in economische geschiedenis. Nu weten die topeconomen niet hoe snel ze daarop moeten terugkomen.

Een onbelemmerde vrije markt blijkt een sterke stimulans te zijn voor economische groei, maar evenzeer voor grote inkomensongelijkheid. Door de economische groei en het ‘trickle-downeffect’ zou de toegenomen welvaart op den duur ook neerdruppelen op de lagere inkomensgroepen. Maar de inkomensverdeling is sinds decennia niet zo ongelijk geweest.

Toen stortte de markt in. Er was veel te weinig aandacht voor de intrinsieke onevenwichtigheid van de markt en voor de uit haar wezen voortvloeiende irrationele stormloop op luchtbellen. Vroeger was het de tulpenhandel, nu de internethype. Toen het uit de hand liep, meldden de bankiers zich met betraande ogen en de bedelnap in de hand bij de overheid.

De onbeperkte vrije markt heeft ontzagwekkende schade aangericht in de levens van tientallen miljoenen mensen en een onnoemelijke ravage in de maatschappelijke verhoudingen – ook op de universiteiten en in de wereld van de kunst. Na klassenwaan en rassenwaan heerste nu de  marktwaan. Het marktbeginsel werd losgemaakt uit zijn driehoeksverhouding met staatsmacht enerzijds en maatschappelijke verbanden (met hun eigen moraal) anderzijds.

Vanzelfsprekend staat de wereld bol van problemen. Welke drie vraagstukken acht u op dit moment in Nederland van het grootste belang?

In de allereerste plaats de regulering van financiële markten. Overigens is dit niet alleen een Nederlands maar vooral een mondiaal vraagstuk.

In de tweede plaats de relatie tot Europa. Niet alleen economisch is dit van belang. Bedenk: binnen de EU heeft 65 jaar vrede bestaan. De oorlog in het voormalige Joegoslavië speelde zich af buiten de toenmalige Europese Gemeenschap. In die 65 jaar is de welvaart toegenomen op een manier die voor onze grootouders onvoorstelbaar was. Ik word niet vervolgd, er is geen schreeuwend onrecht, ik heb te eten en ik heb een dak boven mijn hoofd. Geleerden zijn vrij om dingen te bedenken en kunstenaars om dingen te maken. Ook vmbo’ers staat het vrij muziek te maken of kunst of te gaan dansen. De handhaving van de mensenrechten is voorbeeldig: er zijn gerechtshoven in Den Haag. Grote welvaart en geen oorlog, ook als ongelovige zeg ik dan: Ik dans en ik zing en ik prijs de heer. Wat een vreugde dat er meer landen bij de EU zijn gekomen, vooral de landen van Centraal-Europa met een oud Europees verleden en waaraan wij in het Westen veel verplicht zijn na de nazie-invasies en de Sovjetbezetting. Het waren en zijn centra van literatuur, kunst en muziek. Sinds 1989 is het afgelopen met de onderdrukking in het oosten. Laten we niet vergeten dat aan het socialisme ook een kwaadaardige kant zit: de neiging mensen via dwang te sturen. Het fundamentele verschil met het fascisme is dat die  ideologie in diepste wezen gewelddadig is en uitsluitend op de eigen groep gericht.

Ten derde, maar het is lastig daarvoor een treffende naam te bedenken: de verleuking van alles. Alles moet leutig zijn en grappig, ook onder invloed van media en mediamanipulatie. Studenten zijn even intelligent en leergierig als vroeger maar de verleiding is sterker om grappig te wauwelen. Bij alles moet je aardig zijn. Het is, in de woorden van Duyvendak, mijn opvolger aan de UvA, “kiezen voor de kudde” – je in vrijheid onderwerpen aan wat de meerderheid ‘mooi’ of ‘goed’ vindt. Vroegere religieuze en ideologische bindingen vergden tenminste een inzet met een zekere ernst en toewijding. Het lijkt alsof met het verdwijnen van die bindingen ook die ernst verdwijnt. Zolang religies geen haat prediken, zijn ze een leerschool voor serieuze bespiegeling en oprechte inzet.

Wanneer in perioden van verwarring, waarin velen in onzekerheid verkeren, economische, politieke en culturele crises samengaan wordt de verhouding tussen gevestigden en nieuwkomers al snel gespannen. Hoe ziet u het ‘integratievraagstuk’?

In ‘Why Islam is like Spanish’ wijst Ari Zolberg er op dat de English-only-movement eropuit is het Spaans als tweede taal in California te verbieden. Maar dat is een stok om de hond te slaan, om de ‘Hispanics’ dwars te kunnen zitten. Net als het anti-Islamisme met hoofddoekjesverboden en minarettenvrees hier in Europa.

En hier? Wat kunnen mij die 1000 of 2000 Marokkaanse lastpakken schelen? Als je naast ze woont voelt het vast heel anders, maar die jeugdcriminaliteit vormt toch een beperkt en overzienbaar probleem. Ook in de statistieken van geweldsmisdaad scoort Nederland niet hoog. Over de hoofddoek kunnen we kort zijn: een non-probleem. Het huidige drugsprobleem valt in het niet bij het huidige alcoholprobleem dat nog eens veel minder is dan rond 1900.  Waarom de mensen er zo mee bezig zijn, ik weet het niet. Voor echte criminaliteit kun je beter naar de haute financier kijken.

Het integratievraagstuk ziet u niet als probleem?

Veel van de migranten leven van een uitkering: dat is een probleem. Een van de grote fouten van dertig jaar geleden is dat overheid, werkgevers en vakbonden gezamenlijk mensen met werkelijke of vermeende rugslijtage of andere moeilijk controleerbare klachten massaal in de WAO hebben gedumpt. De verzorgingsstaat heeft hun vervolgens de prikkel tot arbeid afgenomen. Die bejegening van mensen die gevormd waren in afgelegen streken van Marokko is rampzalig gebleken.
Wat ook anders is: een eeuw geleden keerden naar Amerika gemigreerde Italianen en Ieren zelden nog terug naar Europa. Omdat dat toen vrijwel onmogelijk was. Allesbehalve omdat het er in Amerika zo idyllisch aan toe ging. Onder Italiaanse migrantengroepen maar ook elders heersten maffiose  netwerken. In dat licht is de criminaliteit hier en nu heel beperkt.

Tijden van verwarring zijn tijden van gevaar. De ideeën van Wilders zijn omstreden, ik verwerp ze, maar ze zijn helder. Over de schreef is hij gegaan toen hij tijdens een uitzending op de Deense tv verklaarde uiteindelijk ‘miljoenen, tientallen miljoenen’ moslims te willen deporteren. Zodra ze ‘zelfs maar dachten aan Sharia’. Hij heeft deze uitlating nooit teruggenomen. In zo’n pleidooi voor de massale verdrijving zit al een genocidale kern.

In uw oratie ‘Uitgaansbeperking en uitgaansangst’ schetst u het vaak gediagnosticeerde psychiatrische ziektebeeld ‘hysterie’ in de late 19e eeuw als een vorm van verzet van vrouwen tegen de door mannen gedomineerde bevelshuishouding: ‘agorafobie’ als ongenoegen met de voor de onderhandelingshuishouding kenmerkende gelijkheidsdwang in de late 20e eeuw.

Ziet u een vergelijkbaar ziektebeeld dat kenmerkend is voor de huidige tijd?

Ik denk aan ADHD, Asperger en autistisch gerelateerde stoornissen als exemplarische ziektebeelden. Klachten en diagnoses binnen dit autistische gamma doen zich veel vaker voor dan normaal mag worden verondersteld. De vraag luidt: is het aantal klachten sterk toegenomen of is het gelijk gebleven en is het label veranderd? Pas met de introductie van de leerplicht in het begin van de 20e eeuw werden al te bewegelijke jongeren, in het bijzonder jongens, gedwongen urenlang stil te zitten in een schoolklas. Fysieke correctie van overlastgevend gedrag (de ‘opvoedkundige tik’) werd na verloop van tijd taboe. Maar lastig gedrag bleef.
Voordien bleven de jongens vaak weg van school om op het land te werken. Dan was je dus in het drukke seizoen de lastpakken ook kwijt op school. Na de Tweede Wereldoorlog komt de ontwikkeling van een industriële economie naar een dienstenhuishouding. Zwaar fysieke arbeid in de haven, de scheepsbouw, de metaal of, samenhangend met de dienstplicht, in het leger of het KNIL (Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger) werd vervangen door administratieve en dienstverlenende arbeid in een winkel, kantoor of callcentre. Daarbij horen andere omgangsvormen en een meer ingetogen gedrag dat minder fysieke inspanning vergt maar nauwkeuriger zelfsturing. Veel lastige jongetjes die niet voldoen aan deze moderne vereisten worden sindsdien beschouwd als ‘onhandelbaar’ en weer later werden ze gezien als ‘gevallen’, jongens met een gedragsstoornis. Maar wat je daarbij moet bedenken is dat allerlei plekken waar rare vogels, lastpakken, zich nog konden handhaven (bijvoorbeeld de koloniën, de wilde vaart, havensjouwerij) verdwenen zijn.

Is een nieuw beschavingselan nodig?

Op school moet je leren wat te saai, te moeilijk of te nutteloos is om in het café te leren. Op school moet je je inzetten. Je moet er boeken zonder plaatjes lezen. Kinderen moeten wel leren om zich in te spannen, er is een misplaatste nadruk op leukigheid gekomen. Ik zag op de gevel van een lagere school een bord met ’dikke pret’. Maar daar zijn scholen niet voor. Zonder inspanning en oefening kun je niets bereiken, zo is dat nu eenmaal, al ben je nog zo geniaal. Dat geldt ook in de sport en dat is dan tenminste een goede kant aan die mallotige sportmanie.  Sport is niet om naar te kijken en niet om over te praten, dat moet je doen.

Hebben beoefenaren van sociale beroepen en wetenschappen een bijzondere rol in deze, naar het oordeel van velen, ontwrichtende tijd?

Mensen stellen minder vertrouwen in gezagsdragers en misschien ook wel minder in hun buren, collega’s, clubgenoten. Velen lijken rond te lopen met een permanent slecht humeur, zijn kwaaiig en kortzichtig in hun reacties.  Maar er heerst geen haat zoals onder het fascisme of het maoïsme. Het aantal zwaar ideologische mensen is sterk afgenomen. Wel hebben veel mensen een diepe behoefte aan collectieve ontroering. Denk aan de begrafenis van André Hazes, de stille tochten voor slachtoffers van dit of dat, de bloemstukjes op de plek van een verkeersongeluk of ook het wekelijks spektakel in het stadion. Een grote hang naar gezamenlijke ontroering.
Carmiggelt had het over het ‘Wilhelmusgevoel’: hij voelde zich hevig ontroerd bij het volkslied, ook als hij daar eigenlijk niet aan wilde. Maar veel mensen zijn juist op zoek naar zo’n gemoedsaandoening. Nu religies en ideologieën aan belang hebben ingeboet, is de vraag: Kunnen mensen zonder seculiere vormen van bezwering, rouw en dankzegging?

Meer nog dan andere mensen hebben sociale beroepsbeoefenaren de taak stil te staan bij wat zich voordoet in de samenleving. Ze hebben een wat grotere verantwoordelijkheid dan beoefenaren van andere beroepen om enerzijds meer terughoudend te zijn in hun oordeel en anderzijds, als ze zich al uitspreken, betere argumenten aan te dragen.


Abram de Swaan (1942) is een van de meest toonaangevende sociologen van Nederland. Sinds 2000 bekleedt hij de functie van universiteitshoogleraar. Inmiddels is hij emeritus hoogleraar van de universiteit van Amsterdam.

Het wetenschappelijke werk van Abram de Swaan getuigt van een brede belangstelling en van een even erudiete als onafhankelijke opstelling. Hij baseert zich op de theorieën van Norbert Elias met wie hij in gesprek gaat.

Zijn bekendste boek is ongetwijfeld Zorg en de Staat (1998), waarin hij het stelsel van verzorgingsarrangementen onderzoekt in vijf westerse landen met als vraag waarom wij bereid zijn solidair te zijn met onbekenden. In ‘Uitgaansbeperking en Uitgaansangst’, opgenomen in De draagbare De Swaan (1999) munt hij de begrippen ‘bevelshuishouding’ en ‘onderhandelingshuishouding’ en schetst hoe psychische ziektebeelden samenhangen met het type samenleving waarin mensen de moeilijkheden van het leven het hoofd bieden.

Woorden van de wereld. Het wereldtalenstelsel (2002) getuigt van zijn groeiende belangstelling voor globaliseringprocessen.
Naast diepgang wordt zijn werk gekenmerkt door een zeer toegankelijke en verzorgde stijl, iets wat niet alleen de verspreiding van zijn inzichten ten goede is gekomen maar ook het lezen tot een genoegen maakt. Als kroon op zijn werk ontving hij in het Letterkundig Museum de P.C. Hooftprijs 2008 voor zijn essayistisch oeuvre.

Category : Interview