Gestold onderwijs in vloeibare tijden?

Posted at juli 10, 2012 by

Over het werk van Zygmunt Bauman

Will van de Laak > “En ik eet mijn hamburger, terwijl ik op mijn iPod luister naar De vier ­jaargetijden van Vivaldi in rockversie en intussen een Japanse manga lees”, schrijft Alessandro Baricco in De barbaren, een bundeling artikelen over onze angst voor culturele verloedering. Baricco vraagt zich af of in een wereld die gedomineerd wordt door snel veranderende uiterlijkheden diepgang nog mogelijk is. “Allemaal voelen we dat er een onbegrijpelijke apocalyps in de lucht hangt, en overal horen we de stem rondbazuinen: ’De barbaren komen eraan’.“ Om even verder te relativeren: “Er is een tijd geweest waarin de Negende het symbool van de barbaren was”. Wat zich voor het oor van veel tijdgenoten liet horen als ketelmuziek, ontwikkelde zich later tot een pronkstuk van de klassieke muziekcultuur. Onze cultuur, meent Baricco, bevindt zich in een overgangsfase waarbij diepgang het veld ruimt voor ervaringen aan de oppervlakte. Verlies aan diepgang is echter niet hetzelfde als verlies aan betekenis. Betekenis, verdedigt Baricco, doet zich ook voor aan de oppervlakte van het bestaan (Baricco, 2012: 163, 10 en 19).

Veranderlijkheid en onzekerheid
Iemand die de complexiteit van het eigentijdse sociale leven probeert te doorgronden is Zygmunt Bauman (1925), een voormalige hoogleraar sociologie aan de universiteiten van Warschau, Tel-Aviv en Leeds. Veranderlijkheid, meent Bauman, is het alles overheersende kenmerk geworden van sociale verhoudingen in postmoderne samenlevingen. Veranderlijkheid raakt alle betrekkingen, onzekerheid treft iedereen. Dit is allesbehalve een verschijnsel van tijdelijke aard. “Leven in onzekerheid, en je daarvan bewust zijn, lijkt onontkoombaar te zijn geworden” (Bauman, 1998: 92). Maatschappelijke omstandigheden maken dat mensen er voortdurend op voorbereid moeten zijn een andere weg te kiezen zodra deze omstandigheden wijzigen. Deze gedachten sluiten aan bij die van Ulrich Beck, samengebald in zijn begrip ‘Risicogesellschaft’ als typering van de moderne samenleving: economische crises, milieurampen en epidemische ziekten treffen iedereen, zowel hoog als laag. En bij die van Richard Sennett en zijn kritiek op pleidooien voor de ‘flexibele mens’ (zie Richard Sennetts Lof van de ambachtsman in nummer 3 van VW&DB). Flexwerkers moeten voor steeds minder steeds harder werken, een verschijnsel dat technocraten als ‘rationalisering’ aan de man brengen, maar door cultuurcritici raak wordt getypeerd als razende stilstand.
In lijn met het denken van Zygmunt Bauman legt de Koreaanse filosoof Byung-Chul Han in zijn beknopte, recente studie De vermoeide samenleving (Han, 2012), een verband tussen de aard van de moderne prestatiemaatschappij en de waaier aan nieuwe klachten die zich aandienen: adhd, varianten in het autistische spectrum, zoals PDD-NOS, depressie, burn-out en dergelijke. In een meritocratie, het soort samenleving waarin niet afkomst maar eigen verdiensten centraal staan, en dus, bij gebrek aan succes, ook eigen falen en tekortschieten, is sprake van “immanent systemisch geweld, dat psychische infarcten veroorzaakt. (..) De klacht van het depressieve individu: niets is mogelijk, is alleen mogelijk in een samenleving die gelooft: niets is onmogelijk. (..) Depressie is de ziekte van een samenleving die lijdt onder een overmaat aan positiviteit” (Han, 2012: 20-21).

Boswachter
In Vloeibare tijden (2011) worden met behulp van enkele metaforen de ingrijpende veranderingen geschetst die zich gedurende de afgelopen eeuwen hebben voltrokken in de sociale verhoudingen tussen mensen en in de psychische huishouding van individuen.
Zygmunt Bauman beziet de traditionele boswachter als archetype voor de premoderne tijd, de periode voor de industriële revolutie. “Het werk van de boswachter berust op het geloof dat de dingen op hun best zijn wanneer men er zich niet mee bemoeit” (Bauman, 2011:130). Ieder mens bekleedt zijn door God gewilde plaats binnen een ‘natuurlijk evenwicht’. De boswachter is er om te zorgen dat dit zo blijft. Stropers -in de betekenis van ketters- moeten met harde hand tot de orde worden geroepen. Inmenging is aanmatiging. Het getuigt van hoogmoed de door God of de Natuur gegeven schepping te willen overtreffen.

Tuinman
In overdrachtelijke zin is de tuinman kenmerkend voor de moderniteit. Gedrenkt in een door de filosoof Hobbes verwoordde angst voor een ‘oorlog van allen tegen allen’ vreest de tuinman “dat er in het geheel geen orde in de wereld (…) zou zijn zonder zijn voortdurende aandacht en inspanningen”.
De tuinman maakt uit welke gewassen voortaan ‘kruid’ en welke ‘onkruid’ worden genoemd, welke gewassen moeten worden bewaterd en welke gekortwiekt met het snoeimes. “Tuinmannen plegen de ferventste en meest deskundige (professionele) utopisten te zijn. Tuinen beantwoorden altijd aan de ideale harmonische voorstelling van de tuinman (die hij vooraf als blauwdruk in het hoofd heeft)” (Bauman, 2011: 131).
In zijn Holocaust Memorial Lezing 2012 zegt Bauman daarover: “De moderne tijd was een reis naar de perfectie. (..) De poging perfectie te bereiken vroeg om het uitroeien, wegvagen en verwijderen van talloze mensen (..). Vernietiging was de kern van de schepping” (Bauman, 2012). Hij illustreert dit met een anekdote over Michelangelo’s werkwijze. Op de vraag hoe hij zijn perfecte beelden maakte, antwoordde de kunstenaar dat zijn werkwijze de eenvoud zelve was: hij nam een blok marmer en hakte alle overbodige stukken weg. Maatschappijhervormers zijn de ontwerpers van de mensentuin, politici de heersers daarover, sociaal werkers de uitvoerders van het onderhoudswerk. Als de laatsten niet op hun hoede zijn, dreigen ze pion te worden in een schaakspel waarover ze zelf geen zeggenschap hebben.

Jager
Met het failliet van allesomvattende ideologieën zoals fascisme en communisme kwam een eind aan het tijdperk van de Grote Verhalen, waarin alles op zijn plaats viel en in een handomdraai verklaard kon worden. Utopieën worden nu vaak in een kwaad daglicht gezien, gevreesd als potentiële dystopieën, ervaren als angstvisioenen van totalitaire bemoeienis. Als antwoord daarop kleppert de klok van de tijdgeest: vrijheid, vrijheid, vrijheid.
Op het wereldtoneel verscheen de jager als prototype van de postmoderniteit. Denk aan de CEO’s van ­Lehman Brothers en ING en aan de financiële makelaars in de Londonse City. “De jager bekommert zich in het geheel niet om het algemene evenwicht, of dit nu natuurlijk is, dan wel bedacht. Het enige wat de jagers willen is een nieuwe ‘prooi’ die hun weitassen tot de rand kan vullen”. Wat de jagers voortdrijft, is de zucht tot roven tot er niets meer te roven valt, en dit geldt niet slechts voor een selecte, van de massa afgezonderde elite. Volgens Bauman zijn we allemaal jagers geworden, desnoods tegen wil en dank. Wie niet meedoet, wordt zelf prooi (Bauman, 2011: 131-132). Een van de ergste verwijten die ons in de wedrenmaatschappij in het gezicht kan worden geslingerd is “een dief te zijn van de eigen portemonnee”: bij de aankoop van een woning, bij de keuze voor een opleiding, bij overgave in de liefde of bij de financiële wurgdictaten waarmee de Grieken, arm zo goed als rijk, de prijs moeten betalen voor de inhaligheid van hun en onze bankiers en hedgefondsspeculanten.
Het spreekt voor zich dat we onder jagers weinig utopisten aantreffen. Het begrip ‘utopie’ wordt op dit moment, volgens Roget’s Thesaurus, het meest in verband gebracht met categorieën als ‘fictief’, ‘luchtkasteel’, ‘onpraktisch’, ‘irreëel’, ‘onredelijk’ en ‘irrationeel’ (Bauman, 2011:133).

Vloeibare moderniteit
“We reizen razendsnel en stoppen zelden, we beluisteren fragmenten en nooit alles, we trouwen niet voor altijd, we luisteren online in plaats van dat we boeken lezen” (Baricco, 2012: 209-210).
In een tijd zonder absolute zekerheden draagt iedere overtuiging het embryo van twijfel in zich en brengt alle handelen nieuwe onzekerheid met zich mee. Ambivalentie en twijfel zijn onlosmakelijk verbonden met een wereld waarin niets meer voor zich spreekt. Willem Schinkel omschrijft ‘vloeibare identiteit’ in zijn inleiding bij het gelijknamige boek als: “Een fase in de moderniteit waarin zowel instituties als het individuele leven vloeibaar zijn, aan verandering onderhevig zijn en geen starre patronen kennen” (Bauman, 2011: 9). Van huwelijk, via verzorgingsstaat tot mondiale machtsverhoudingen geldt: onbestendigheid wordt regel, vanzelfsprekendheid uitzondering.
Bauman wijst er op dat in eigentijdse dromen van mensen de betekenis van ‘vooruitgang’ is verschoven van gezamenlijke vooruitgang naar individueel ­overleven. Wat op grote schaal gebeurt, is dat ­“individuele diensten worden aangeboden voor mensen die ­individuele bevrediging, of het individueel ontsnappen aan individueel ervaren ongemak zoeken.” Het open karakter van de moderniteit waarbinnen vele mogelijkheden zich aandienen, is veranderd in een samenleving waarvan het open karakter niet langer gezien wordt als uitnodigend maar als bedreigend. Dit in het bijzonder voor laagopgeleiden en zij die het vereiste uptempo niet kunnen opbrengen. Hieraan valt nauwelijks te ontkomen. Wil je de veranderingen bijbenen dan “betekent dit dat je je garderobe, je meubels, je behang, je uiterlijk, je gewoonten – kortom jezelf – zo vaak als je kunt moet veranderen” (Bauman, 2011: 134 – 135).
Het binnen de HR als massadoelstelling streven naar het perpetuum mobile van ‘jezelf overtreffen’ past binnen dit patroon.

Neoliberalisme baart neotribalisme
In een bijdrage in Trouw van 7 november 2011 vat filosoof Hans Achterhuis de voorbije twee decennia treffend samen: “De politiek is de afgelopen twintig jaar de dienstmaagd geweest van de economie. Economen vertelden hoe de wereld in elkaar zit, waarna politici er beleid op mochten bouwen.” Het is niet langer de staat die de markt beheerst, het zijn omgekeerd de markten die de staat gijzelen. Een Umwertung aller Werte waarbij boekhoudpolitici niet schromen de ontmanteling van de verzorgingsstaat aan te prijzen als vooruitgang en de vooruitgang als onontkoombaar. Een alles en iedereen doordrenkend conformismedenken berust daarin. Het gevolg is onder meer dat ondernemers die geen trek meer hebben in werkgeversrisico’s, deze risico’s overhevelen naar werknemers. Een verlamde, intern tot op het bot verdeelde vakbeweging ziet het aan. Een enkel voorbeeld: van het totaal aantal vervulde vacatures werden er in 2008 188.000 omgezet in vaste contracten, in 2009 was dit aantal 93.000, een jaar later 83.000, in 2011 was het totaal gezakt tot een schamele 2000. Flexibiliteit is tot mantra verheven. De onzekerheid die dit postmoderne dogma met zich meebrengt, roept onvermijdelijk een tegenbeweging in het leven: het zoeken naar bescherming en zekerheid bij de eigen groep. De roep om terugkeer naar de gulden, het pleidooi voor strenger straffen, de beweging om ‘vreemd volk’ buiten de deur te houden zijn daar uitdrukking van. Het gevolg van het samenklonteren binnen de eigen groep is dat de verschillen met leden van andere groepen worden uitvergroot. Neotribalisme in de woorden van Bauman: “Mixofobie komt tot uiting in het verlangen naar eilanden van gelijkheid te midden van een zee van verscheidenheid en verschillen” (Bauman, 2011: 117).

Alles overal hetzelfde: gestold onderwijs
In een meritocratische samenleving, waarin de ‘eigen’ verantwoordelijkheid van de burger-jager centraal staat, speelt onderwijs een cruciale rol bij het slagen of falen van haar leden. Scholen, dat zijn niet minder dan ”de officiële ovens waarin onze hersenen worden gebakken” (Baricco, 2012: 177). De onderwijssector is de afgelopen decennia zowel object als motor geweest van ingrijpende veranderingen. De toevloed van grote groepen nieuwe studenten en de Lissabon-eis om maar liefst de helft van de bevolking al in 2010 tot hoger onderwijs te brengen, werden beantwoord met samenhangende processen van schaalvergroting, centralisering, bureaucratisering en uniformering. Fusies schiepen onderwijsmolochs van duizenden leerlingen in het voortgezet en tienduizenden studenten in het hoger onderwijs. Bestuurders kozen, in elkaars kielzog, voor centrale sturing, gestandaardiseerde bedrijfsprocessen en uniformering van vorm en inhoud van onderwijsprogramma’s: alles en iedereen overal hetzelfde. Een politiek van alle-neuzen-dezelfde-kant-op en comfortabel aanschurken bij wat iedereen al vindt, werd vanzelfsprekend. Financieel overheidsbeleid bevorderde die gang van zaken.
Het in-the-box-denken kraaide victorie. Uitputtende detailbeschrijvingen van ieder aspect van het onderwijsproces werden gebruik: er moest eens ergens een los draadje bungelen, dat zou docenten en studenten maar verleiden tot frivole gedachten en ongevraagd eigen initiatief. Bedenkelijk. Dit zelfstandig denken laat zich immers slecht persen in de mal van een onwrikbaar one-size-fits-all-model. Wat Alex Brenninkmeijer, de nationale ombudsman, in NRC-Handelsblad van 7 april 2012. opmerkt over de samenleving als geheel, geldt onverkort voor het (hoger) onderwijs: “We hebben een maakbare samenleving gehad. Dat was al funest. Nu zoeken we naar een volledige beheersing van de samenleving. (..) We denken nu dat we alles met sancties en repressie moeten vastleggen.” Kortom: creativiteit akkoord, mits bij geboorte al gestold in een door beleidsmedewerkers vóóraf vastgestelde plaats, tijd en ruimte: creativiteit is gepland in module x in kwartaal y van studiejaar z. En dan móet het ook. Daarbuiten geeft maar gedoe.

Van school naar onderwijsorganisatie
De school veranderde, ook in het taalgebruik, in een organisatie. Een organisatie in permanente staat van reorganisatie, zoals sceptici zich wel eens willen laten ontvallen. Centraal gestuurde reorganisatie wel te verstaan, reden waarom het mogelijk werd dat alle opleidingen van Inholland zich in een mum van tijd en masse bekeerden tot de heilige graal van het competentiedenken – en critici bezien én behandeld werden als ketters in een leerstellig universum. Met het veranderen van windrichting werden de rollen vanzelfsprekend omgekeerd – opnieuw en masse.
Van autonome en trotse vakmensen veranderden docenten nogal eens in getergde uitvoerders van topdown dichtgespijkerd onderwijsdesign. Waar de waan van de dag een erg hoge vlucht nam, mochten vakmensen het docentschap inruilen voor een toekomst als procesbegeleider of google-assistent. Met hun status daalde hun inkomen en met hun inkomen hun status. Studenten veranderden in ‘consumenten van onderwijsproducten’, van wie binnen het hbo slechts de helft de studie ‘stimulerend’ vindt en een derde ‘niet uitdagend’ (Onderwijsverslag van de inspectie 2010-2011). De publieke kritiek zwol aan, ook op megalomane bestuurders van wie een deel zich, ver boven de werkvloer verheven, ontpopte als bouwheer met chauffeur en een inkomen hoger dan dat van de minister-president.
Dat ingrijpende veranderingen nodig zijn zullen weinigen nog betwijfelen. Bijsturing van de mammoettanker van het hoger onderwijs door middel van transparantie, monitoring, meer controle en nog meer protocollen en formats zal niet afdoende zijn om in vloeibare tijden de kwaliteit van het hoger onderwijs te waarborgen. Het risico op contraproductieve effecten is groot: uitdijende managementlagen; studenten die, o zo transparant en controleerbaar, bediend worden met prefabonderwijs; docenten die uitvoerders worden van een tayloristisch model, dat, als het aan de minister ligt, wordt opgetuigd met prestatiebeloning.

Schaalverkleining en diversiteit
Hoe kunnen we studenten wapenen tegen het lot van een onzekere beroepsmatige toekomst én tegen onzekerheid in het persoonlijk leven? Allereerst door te breken met de ratio om door middel van schaalvergroting bij alles het nut voor het heden centraal te stellen en de huidige en toekomstige zin ervan als bijkomstigheid. Hoogste tijd om bij het ‘ik ga er voor’ eens stil te staan bij het ‘wáárvoor?’
Gestold onderwijs kan geen bevredigend antwoord formuleren op niet te voorziene vraagstukken of op onvoorspelbare vragen die zich zullen voordoen in een zich alsmaar veranderende wereld, waarin ‘adempauze’ tot vloek is geworden. Waar weinig vanzelfsprekend is, is een onderzoekende houding nodig, een inzet die getuigt van geduld en aandacht. Onafhankelijk en kritisch denken zullen in de beroepsuitoefening van hoger sociaalagogisch opgeleiden steeds crucialer zijn. Natuurlijk staat bij een beroepsopleiding Ausbildung centraal. Maar ook dit strikt beroepsmatige zal steeds meer gekenmerkt worden door onbestendigheid – van problemen, vragen en antwoorden. Fluïde vragen verhouden zich slecht tot bevroren antwoorden. Daarom is Bildung essentieel voor Ausbildung. Het gaat niet om het aantal bijeen gegoogelde documenten maar om de kwaliteit van een beperkt aantal doordachte werkstukken. Kwantiteit en kwaliteit ontwikkelen zich niet recht evenredig. Het wáárom moet voorop staan, de dáárom-reflex met scepsis bezien, het hóe doordacht en beargumenteerd.

Leraren leiden per definitie op tot een samenleving die er nog niet is. In vloeibare tijden geldt dit sterker dan in stabiele. Daarom moet de koers van het hoger onderwijs ingrijpend worden bijgestuurd. In plaats van schaalvergroting moet de weg worden ingeslagen van schaalverkleining, centralisering moet plaats maken voor decentralisering, uniformering zal het veld moeten ruimen voor diversificatie. Binnen zulke omstandigheden kan bureaucratische rompslomp worden gekortwiekt en instrumentalisering van betrekkingen en juridisering van conflicten worden tegengegaan. Zo ontstaat ruimte voor kritische bezinning op het waarom, het daarom en het hoe.
Dit proces kan een ontvlechting teweegbrengen van eerder samengevoegde scholen. Ook is denkbaar dat binnen grote bestuurlijke eenheden vergaande autonomie wordt teruggegeven aan instituten en opleidingen als het gaat om opzet, inhoud en inrichting van het onderwijs. Als gevolg daarvan zal aangeharkt denken betwist worden. Dat werd tijd. Er zal debat ontstaan. Geweldig. Tussen opleidingen zullen verschillen ontstaan. Gelukkig. Voor het risico dat dan in een oogwenk het aards paradijs onder handbereik zal liggen, hoeven we niet bevreesd te zijn. Ook dat is een opluchting.
Nu het Grote Ontwerp heeft afgedaan, moet ordening, beweert socioloog Hans Boutellier, worden gevonden in improvisatie, zoals bij het spelen van jazz: “Muziek die nooit eerder zo geklonken heeft, maar toch in een traditie staat” (Boutellier, 2012). Anders gezegd: een onderwijsmodel dat in zijn structuur veel beheersing en discipline vraagt van docenten en studenten, maar daarbinnen alle ruimte biedt aan docenten om naar eigen inzichten programma’s in te richten en daar de volle verantwoordelijkheid voor te dragen.
Studenten in het sociaalagogisch hoger onderwijs vakmanschap bijbrengen in ongewisse tijden betekent ze grondig inwijden in de methoden en technieken van het vak én ze oefenen in kritische zin en distantie jegens de luimen van de politieke waan, de vanzelfsprekendheid van gangbaar beleid, de toevallige windrichting van passerende managementmodes.

Laat Baricco’s horizontale mens, voor wie diepgang ouderwets is, maar leren van surfen van ervaring naar ervaring. Laat anderen, die we student noemen, zich verdiepen in een beperkt aantal ervaringen en theorieën. Laat beide groepen, zonder elkaar de rug toe te keren, op zoek gaan naar betekenis. Braaf jaknikken in eigen kring bevriest wat al is. Tegenspraak brengt ons verder, maar voor alles: verwondering.


Literatuur
Baricco, A. (2012). De barbaren. Amsterdam: De Bezige Bij.
Bauman, Z. (1998). Leven met veranderlijkheid, verscheidenheid en onzekerheid. Amsterdam: Boom.
Bauman, Z. (2011). Vloeibare tijden – leven in een eeuw van onzekerheid. Zoetermeer: Klement.
Bauman, Z. (2012, 28 januari). Holocaust Memorial Lezing 2012. In: NRC Handelsblad.
Boutellier, H. (2011). De improvisatiemaatschappij. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Boutellier, H. (2012, 5 mei). Burgers hebben aandacht nodig. In : NRC Handelsblad.
Han, B-C. (2012). De vermoeide samenleving. Amsterdam: Van Gennep.


Illustratie: Talayeh Ghavam & Naomi King

Category : Artikel