En je ziet nog eens wat

Posted at december 22, 2010 by

Een kritische blik op internationalisering

Uitgekeken op Lloret de Mar of Chersonissos? Toe aan een opgepimpt cv voordat je de arbeidsmarkt op gaat? Renske de Greef schreef onlangs de roman En je ziet nog eens wat (2009) over een 19-jarig meisje dat als vrijwilligster gaat helpen in een weeshuis in Afrika, in Tanzania om precies te zijn. Sommige van onze ISO-studenten koesteren eveneens de wens om als stagiaire arme kindertjes in Afrika te helpen. Hen raad ik vooral aan dit boek te lezen. Het is vlot geschreven, humoristisch, herkenbaar en vooral: het opent je de ogen voor de realiteit van veel vrijwilligerswerk. Want hoewel als roman geschreven, heeft Renske de Greef er met haar journalistieke achtergrond veel feiten in verwerkt. Feiten die er niet om liegen.

Wat blijkt bijvoorbeeld: in veel Tanzaniaanse weeshuizen wonen lang niet allemaal weeskinderen. Het zijn vaak kinderen van arme ouders die hopen dat hun kind daar in materieel opzicht een beter leven zal hebben dan thuis. Vandaar dat het aantal weeshuizen veel groter is dan op grond van de statistiek verwacht mag worden en ook groeit dankzij de talrijke vrijwilligers die daar graag willen werken en geld meebrengen.

Specifieke vaardigheden niet nodig
Ook is het zo dat vele vrijwilligers in eigen land nog geen opleiding hebben afgemaakt of substantiële werkervaring hebben. Blijkt onbelangrijk te zijn. Op de website van een van de grotere organisaties op dit terrein (Projects Abroad) staat letterlijk: “Om je aan te melden voor deze sociale projecten, heb je geen specifieke vaardigheden of opleiding nodig. Jouw inzet, jouw enthousiasme en jouw vastberadenheid zijn veel belangrijker.” Toch pretenderen deze onervarenen zomaar les te kunnen geven of een school te kunnen bouwen. Zelfs in een omgeving die hen cultureel gezien totaal vreemd is. Veel van hun werk zet bijgevolg nauwelijks zoden aan de dijk of verslechtert de situatie eerder. Zo schrijft De Greef dat één van de stagiaires de Tanzaniaanse kindertjes met heel veel moeite heeft leren klokkijken in het Engels, maar niet op de hoogte was van het feit dat men daar hele andere tijdsaanduidingen gebruikt. Tja. Ook bestaat de kans dat je lokale werknemers het brood uit de mond stoot. Daarnaast wemelt het in sommige steden van de vrijwilligersprojectjes. Zeker als de steden vlakbij een mooi natuurgebied of een interessant wildpark liggen. En al die internationale vrijwilligers zoeken elkaar voortdurend op, zodat kennis maken met de Tanzanianen zelf er bekaaid vanaf komt. Het blijkt sowieso dat weinig vrijwilligers op de hoogte zijn van de geschiedenis of de taal van Tanzania.

De kick van ‘voluntourisme’
Het beeld dat hier oprijst, is dat van verwende westerse jongeren die uitgekeken zijn op bungeejumpen aan de Costa Brava en hun kick ergens anders willen halen. Maar die kick moet niet te heftig zijn, dient bij voorkeur beleefd te worden met soortgenoten en moet vooral goed georganiseerd te zijn. Zoals Projects Abroad schrijft: “Voor jongeren en hun ouders maar natuurlijk ook voor ons is het een veilig gevoel dat alles geregeld is. Dat je weet wat er voor je gedaan wordt en je verteld wordt wat je zelf nog moet doen. Helder en duidelijk! Het avontuur is al spannend genoeg zonder je af te vragen of je niets vergeten bent.”
Interesse in de lokale bevolking en hun lot staat niet bovenaan het lijstje. Renske de Greef beschrijft het vrijwilligerswerk meer als een hippe vorm van toerisme, ‘voluntourisme’ genaamd. Het geeft je een fijn, altruïstisch gevoel, het staat goed op je cv en…. je ziet nog eens wat.
De eerlijkheid gebiedt dus te zeggen dat veel vrijwilligerswerk in een ontwikkelingsland meer op eigen welzijn en ontwikkeling lijkt te zijn gericht dan op dat van de arme mensen daar.
Op zich valt daar misschien nog mee te leven, maar het is wel zo fatsoenlijk dit te erkennen, er geen sausje van liefdadigheid of hulp overheen te gooien en je voortdurend af te vragen of je zelfs niet meer kwaad dan goed doet voor het betreffende land.

HRO-stages
De Hogeschool Rotterdam (HRO) propageert stage lopen in het buitenland vooral in termen van (immateriële) zelfverrijking. Deze eerlijkheid siert de HRO. Op Hint valt onder meer dit te lezen:

“Het kiezen van een internationale minor kan ook voor jou dé kans zijn om internationaal je vleugels uit te slaan. Voor iedere ISO student is een internationale stage een bijzonder interessante kans. Ieder jaar weer komen studenten enthousiast en vele ervaringen rijker terug uit het buitenland.
Stage lopen in het buitenland biedt je de mogelijkheid om je horizon te verbreden. Je maakt kennis met nieuwe inzichten op je vakgebied, je ontmoet mensen van een andere cultuur en je leert een andere taal”.

Maar kún je wel van echt verrijkende ervaringen spreken? In dit verband is de kwestie rond het leren van een andere taal veelzeggend. De eis voor derdejaars stagestudenten pedagogiek en SPH luidt: ‘De student is bereid om de taal van het gastland tijdig en tot een voldoende hoog niveau te leren’. Logisch, aangezien het om sociale beroepen gaat. We weten echter dat de talenkennis van onze studenten over het algemeen niet erg breed ontwikkeld is en dat het een illusie is te denken dat ze binnen een jaar een nieuwe vreemde taal (denk aan Marokkaans of Quechua) onder de knie krijgen. In de praktijk betekent dit dus dat vooral Turkse studenten naar Turkije gaan, Marokkaanse studenten naar Marokko en Surinaamse studenten naar Suriname. Op Hint wordt zelfs expliciet aandacht gevestigd op Antilliaanse studenten:

“PS. Ben je Antilliaans? Kijk dan eens op www.kennisvoorcuracao.com voor stagekansen op het eiland van je roots.”

Hoewel deze stagiaires vanwege hun goede kennis van het land en de taal waarschijnlijk nuttiger werk afleveren dan de anderen, is de internationale verrijking hier natuurlijk erg beperkt.

En kún je wel van horizonverbreding spreken als je weet dat er tegenwoordig zoveel commerciële stagebureaus zijn die de student alle zorg uit handen nemen en ervoor waken dat de student altijd contact heeft met ‘anderen’, dat wil zeggen landgenoten, niét de lokale bevolking? Alweer van de website Projects Abroad, onder het kopje ‘Veelgestelde vragen’:

Kom ik gemakkelijk in contact met anderen?

[…] Bovendien zorgen wij er bij aankomst voor […] dat je in contact kunt komen met de andere deelnemers […]. Ook organiseert ons lokale personeel geregeld een uitje of een barbecue, waar je […] aan deel kunt nemen. […] Wij proberen er in ieder geval altijd voor te zorgen dat een andere vrijwilliger nooit ver bij jou vandaan is!”

Minor International Aid and Development
Wat betreft de Minor International Aid and Development: die pretendeert, naast een verrijkende ervaring, ook iets toe te voegen aan het ontvangende land. Deze minor behelst een stage van minimaal vier weken in een ontwikkelingsland waarbij een beroepsproduct wordt ontwikkeld, aangepast aan de situatie van het ontwikkelingsland. Dat lijkt mij, in ieder geval voor de sociaaleducatieve sector (over andere sectoren kan ik moeilijk oordelen), een hele tour de force, welhaast onmogelijk, zeker als je de taal niet kent. Als vingeroefening misschien aardig en verrijkend, maar om dit in termen van ‘een product’ te gieten waar de stageplek in den vreemde iets aan zou hebben, lijkt mij getuigen van een zekere overmoed.

Stage lopen in onze buurlanden België, Engeland en Duitsland heeft veel minder aantrekkingskracht. Terwijl juist hier veel te leren valt en veel uit te wisselen. De taalbarrière is veel kleiner, de kans op vruchtbare uitwisseling van ideeën en methoden is veel groter en de reiskosten zijn veel lager. Wat echter ontbreekt, is het prettige gevoel arme kindertjes te kunnen redden, evenals een flitsende toevoeging aan je cv.

Category : Bespreking