Eenheid en verscheidenheid: de lof van het verschil

Posted at mei 19, 2011 by

Will van de Laak > Recent promotieonderzoek maakt aannemelijk dat Turkse jongeren met veel belangstelling voor de Turkse taal en cultuur een meer dan gemiddelde interesse aan de dag leggen voor ontwikkelingen binnen de Nederlandse samenleving (Eversteijn, 2011). Een goede beheersing van de Turkse en van de Nederlandse woordenschat gaan bij de onderzochte groep hand in hand. Binding aan het land van herkomst hoeft dus niet strijdig te zijn met binding aan het land van aankomst. Zo stoort clubliefde voor FC. Barcelona, AC Milan of Fenerbahce zich niet aan landsgrenzen. Breijten Breijtenbach, de Zuid-Afrikaanse dichter, spreekt in dit verband over ‘mengelmensen’: mensen die ten diepste beïnvloed zijn door uiteenlopende en soms strijdige taal- en cultuurinvloeden. Aan hen is de toekomst. Vermenging is onherroepelijk geworden.

Een vlechtwerk van culturen

Volgens gegevens van het CBS omvatte de Nederlandse bevolking eind 2010 in totaal 16,7 miljoen inwoners. Daarvan zijn er bijna 3,4 miljoen van allochtone herkomst (ruim 20%) en daarvan weer 1,5 miljoen (9%) van westerse en bijna 1,9 miljoen (ruim 11%) van niet-westerse herkomst.

Het COS, Centrum voor Onderzoek en Statistiek, presenteert voor Rotterdam andere cijfers. In de Maasstad wordt 48% van de 611.000 inwoners tot de groepering allochtonen gerekend, 11% tot die van westerse en 37% tot die van niet-westerse allochtonen. Per wijk en deelgemeente zijn de cijfers weer anders: in het Oude Westen (73,4%) en Feyenoord wonen beduidend meer migrantengezinnen dan het stedelijk gemiddelde, in Kralingen-Oost en Schiebroek-Hilligersberg (26%) veel minder. Waar migranten in het westen van het land oververtegenwoordigd zijn, kan het niet anders of hun aantal moet in honderden dorpen en stadjes buiten de Randstad ondervertegenwoordigd zijn. Dat blijkt. In het Drentse Zuidhorn en in het Brabantse Oirschot, in Margraten in Zuid Limburg, in Borsele in Zeeland en in Scherpenzeel in Utrecht bestaat minder dan 2% van de bewoners uit migrantengezinnen; in De Wilden in Friesland en Tubbergen in Twente minder dan 1%. Van Rotterdam kun je met recht zeggen dat het een multiculturele stad is, van Tubbergen niet dat het een multicultureel dorp is. Wat landelijk overheerst is een divers beeld: een lappendeken van wisselende etnische en sociale verhoudingen.

Terug naar de steden. Onder de inwoners van Amsterdam en Rotterdam zijn ruim 180 verschillende nationaliteiten vertegenwoordigd. In deze steden leven Hindoestanen, Javanen en Creolen afkomstig uit Suriname; sunnieten, sjiieten, soefi’s en alevieten (hoofdstromingen binnen de islam) en ongelovigen uit tientallen, onderling sterk verschillende landen in Afrika, het Nabije en het Verre Oosten en Zuidoost Europa. Door de hele stad wonen vluchtelingen uit alle oorlogsgebieden van de hele wereld. Wie enigszins de verschillen tot zich laat doordringen en daarbij rekening houdt met de aanwezigheid van aanhangers van progressieve en conservatieve overtuigingen, van hoog- en laagopgeleiden, gelovigen en ongelovigen en mensen van stadse of dorpse herkomst binnen ieder van die groepen, die beseft al snel dat het aantal (sub-)culturen in een stad als Rotterdam een veelvoud is van het aantal nationaliteiten. Achter haar duinen en tussen haar dijken wordt Nederland gekenmerkt door een uitbundig vlechtwerk van culturen.

Conflicten tussen oud en nieuw zijn overal en van alle tijden.

Binnen het bestek van een halve eeuw is dit land ingrijpend veranderd van aard en samenstelling, van gewoonte en smaak. Wat vanzelfsprekend was, is niet zelden uitzonderlijk geworden; wat ondenkbaar leek werd gemeengoed. Het nieuwe botste op het oude, het vreemde conflicteerde met het eigene. En dit alles in een tempo dat veel mensen doet duizelen. Het conflict tussen gevestigden en nieuwkomers is van overal en van alle tijden (Elias en Scotson, 1976). Het speelt tussen West End girls en East End boys, tussen Randstedelingen en provincialen, tussen oud geld en nouveau riche, tussen geschoolde arbeiders en los werkvolk, tussen gelovigen en ongelovigen, tussen gevestigden en nieuwkomers. Wie meent dat de omgang tussen het eigene en het vreemde frictieloos kan zijn, leeft in een fantoomwereld, ver verwijderd van de wereld van de levenden.

Het bijzondere aan deze tijd is dat vast staat dat weinig vast staat, sterk beïnvloed door het hoge tempo van veranderlijkheid. Voor veel mensen is het zicht op de toekomst vertroebeld en versplinterd. Zij hebben het gevoel de greep te verliezen op tijd, plaats en inrichting van hun bestaan. In kringen waar hoger opgeleiden zich doorgaans weinig laten zien, daar waar niet wordt geluncht maar geschaft, langs voetbalvelden, op huishoudbeurzen, in kroegen met een biljart in het midden en een schetterende tv boven de tapkast, op de skaibank voor een tv-soap, dáár groeide het verlangen naar overzicht, naar eenduidigheid, naar samenhang, naar herstel van een verleden zonder vreemd volk en rare gebruiken, naar de tijd ‘dat geluk nog heel gewoon was’ en de taal begrijpelijk voor ‘normale mensen’. Ook al is dit in belangrijke mate nostalgie naar een bijeen gesprokkelde fantasiewereld, voor hen die daarin geloven is zij maar al te waar.

Tot voor de ‘jaren zestig’ heerste in belangrijke mate overeenstemming over wat goed en fout was en wat mooi en lelijk – niet op de laatste plaats omdat binnen de streng hiërarchische samenleving helder was wie het voor het zeggen had over ‘goede’ en ‘slechte’ smaak. Wie zich aan dat onderscheid niet hield, werd bestraffend toegesproken en zo nodig uitgesloten. Die eenheidsdwang en aangeharkte treurnis van burgermansfatsoen verkruimelde binnen één decennium onder de druk van een jeugd die er genoeg van had door het leven te gaan met gebogen hoofd, neergeslagen blik en voorwaarts schuifelen in het karrenspoor van afgedwongen volgzaamheid. Weg ermee, was de leuze, en zo gebeurde – met gevolgen, als zo vaak bij een politiek van goede bedoelingen, die niemand wilde of voorzag.

Van eenheidscultuur veranderden de grote steden van dit land in een archipel van deelculturen die ieder voor zich hameren op het bijzondere van de eigen kring en het voortreffelijke van de eigen gebruiken. Een groeiend aantal mensen slaagde er steeds moeizamer in de vraag naar het gemeenschappelijke te beantwoorden of die vraag zelfs maar serieus te nemen. Dat is vragen om moeilijkheden. Wanneer vooruitstrevende mensen de schouders ophalen voor de vraag naar wat ons verbindt, laat zij het speelveld vrij voor nationalistisch rechts. En die beweging weet daar wel raad mee. Voor je goed en wel van je verbazing bent bekomen, triomferen volkslied en etiquetteboek: vooruit naar vroeger. Het is al te gemakzuchtig daarover schamper te doen.

Mondialisering: vergruizen van vanzelfsprekendheden

Mondialisering is het op alle gebieden van het leven diep ingrijpende en wereldomvattende proces van maatschappelijke, economische en culturele veranderingen en de daarmee gepaard gaande uitwisseling van goederen, ideeën en mensen. Veranderingen zo ingrijpend en zich voltrekkend in een zo hoog tempo dat weinigen erin slagen daarover het overzicht te bewaren. Er is niet sprake is van één dominante wereldmacht maar van verschillende machtscentra die ieder voor zich streven naar uitbreiding van hun invloedsterritorium. Precies daarom wordt de uitkomst van dat proces onvoorspelbaar. Het gevolg is dat op alle continenten vanzelfsprekendheden in het leven van mensen vergruizelen alsof ze worden getroffen door een culturele wervelwind. Het aantal inwoners van Beijing is tussen 2000 en 2010  gestegen van 10 naar 20 miljoen. Binnen één generatie zien we het geboortecijfer in verschillende Afrikaanse landen dalen van 6 of 7 kinderen per vrouw naar gemiddeld 2. Binnen eenzelfde generatie is in wijken als Bloemhof of Afrikaanderwijk de mono-etnische samenstelling veranderd in een waaier van tientallen, vaak sterk van elkaar afwijkende deelculturen. De ‘winsthorizon’ (de tijdsmaatstaf die investeerders hanteren om het succes van een bedrijf te beoordelen) was in 1960 drie jaar, in 2000 drie maanden. Binnen vele landen in het Westen is de culturele cohesie tussen maatschappelijke bovenlaag en onderlaag sterk geërodeerd (Kuipers, 2010). Onder invloed van een zegevierend gelijkheidsdenken parkeerde een flink deel van de culturele elite de ‘verheffingsgedachte’ bij de lommerd. Ze gingen door de knieën: wie zijn wij om het beter te weten? En op grond waarvan eigenlijk zou een suite van Bach superieur zijn aan de polderdans van de Heikneuters? Is het niet beter kwaliteit van onderwijs te laten samenvallen met tevredenheid van studenten? – daarmee kwaliteit reducerend tot de mening van de meerderheid. Waar pogingen om het volk te verlichten nog wel werden ondernomen, stuiten deze vaak – op grond van datzelfde gelijkheidsdenken – op een muur van hoon en wantrouwen van de maatschappelijke onderkant. De ‘dekolonisatie van de burger’ (H.J.A.Hofland) – in het bijzonder in lagere sociaaleconomische lagen – schiep de burger als ongeleid projectiel. Vuurwerk gegarandeerd. Elite? Allemaal ladelichters en zakkenvullers. Precies in deze contreien gedijen PVV en delen van de VVD en de SP.

Wie naar mondiale veranderingen kijkt met de blik van een universitair geschoolde jurist uit een krottenwijk aan de rand van Nairobi, een man van 26 die ertoe veroordeeld is de rest van het leven te slijten als schoenpoetser, die ziet geen visioenen met het bordje ‘uitdaging’ erboven gespijkerd. Hetzelfde geldt voor een Filippijnse moeder die in Abu Dhabi de kost moet verdienen voor haar kinderen in Manilla. Werkeloze Turkse arbeiders uit de verdwenen scheepsbouw in Schiedam en in de WAO terecht gekomen havenwerkers uit het stukgoed op Zuid hebben gemeen dat de hun vertrouwde wereld is versplinterd zonder dat er veel bestendigs voor in de plaats is gekomen. Inderdaad, sociaaleconomisch en cultureel bedreigde groepen mensen verlangen naar overzicht, naar veiligheid, naar bestendigheid. Geef ze eens ongelijk. Wat ze terug wensen is wat ze ooit werd beloofd.

Leren leven met twijfel.

En toch: de wereld van toen keert niet terug. De begrippen die gebruikt worden om de huidige samenleving te typeren verschillen. Socioloog Ulrich Beck heeft het over ‘risicomaatschappij’, filosoof Zygmunt Baumann over ‘leven met onzekerheid’, criminoloog Boutellier over ‘vloeibare identiteit’ en ‘improvisatiemaatschappij’. Waar zij elkaar vinden is in de gedachte dat de kern van alle onvrede geworteld is in het in hoog tempo verdwijnen van het vanzelfsprekende en in het onvoorspelbare van de (ook onmiddellijk nabije) toekomst. Abram de Swaan meent: “De zekerheid, die komt nooit meer terug. Leer dus maar te leven met de twijfel, die zachte zeurende pijn van de vrijheid” (de Swaan, 2007: 202). Die vrijheid brengt ook met zich mee dat vastomlijnde, onwankelbare sociale identiteiten, als waren ze gehouwen uit één brok graniet, het nakijken hebben. Hybride identiteiten en dubbele paspoorten winnen terrein. Een van de dragers daarvan, Tariq Ramadan, zegt over zichzelf: “Ik hoor bij de Europese cultuur, heb de Zwitserse nationaliteit, ik ben moslim vanwege mijn religie, ben Egyptenaar in mijn herinnering en ik omarm universele principes.” Kletskoek zeggen zijn tegenstanders, je bent moslim of universalist, Zwitser of Egyptenaar, niet van alles een beetje, dat leidt maar tot chaos. Een standpunt overigens waarin rechtsnationalisten en orthodox gelovigen elkaar vinden.

Gevestigden en nieuwkomers die veel dierbaars is ontglipt en verder moeten zonder toekomstperspectief kijken omhoog of zien om. Het paradijs aan de overkant is groener (door de lichtval van de altijd schijnende zon), het verleden mooier (door het filter van de tijd). Nationalisme en religie geven uitdrukking aan het verzet tegen de ontreddering die catch-as-catch-cankapitalisme, morele leegte en verlies van het vertrouwde teweegbrengen. Beide stromingen proberen te heroveren wat verloren is gegaan. Zoals in de jaren ’60 de lokroep van individuele vrijheid brede navolging vond, zo leggen in de eerste decennia van deze eeuw velen de nadruk op het herstel van gemeenschappelijkheid. Beide zijn wezenlijk menselijk en geven uitdrukking aan het verlangen naar eigenheid en binding, naar een ik-beeld en een wij-beeld, zoals in de zin ‘Ik, Patrick Verschuere, ben een Belg’. Mensen willen ‘zichzelf zijn’ én ‘samenzijn’. Voorwaarde voor menselijkheid, zegt Hannah Ahrendt, is de mogelijkheid zich als individu én als sociaal wezen te onderscheiden van anderen. Nodig is ‘pluraliteit’, een veelheid in verscheidenheid.

De lof van de rechtstaat is de lof van het verschil.

Juist minderheden hebben het grootste belang bij een samenleving met een solide fundament van democratie, rechtstaat en individuele vrijheidsbeginselen. Als democratie het huis is waarbinnen uiteenlopende mensen in verschillende kamers leven, dan is de rechtstaat het fundament van dit huis. Het is de rechtstaat die mensen toestaat zich te bevrijden uit de kluisters van de groepsdwang. Iemand is geen eigendom van een groep, zegt de Libanese schrijver Amin Maalouf bondig. Binnen de beperkingen van dezelfde rechtstaat (geen geweld plegen, geen haat zaaien, geen laster, geen smaad) staat het mensen anderzijds vrij zich te verenigen met wie ze maar willen. Of dat nu vroegere dorpsgenoten zijn van ginds, nieuwe vrienden van hier of een mix van beiden. Volgens de Schotse filosoof Tom Nairn is vermenging van (deel-)culturen onherroepelijk geworden. In een interview verdedigt de Ostberlinerin N. Nguyen dit gegeven met verve: ‘Ik denk Duits over vrijheid en ik denk Vietnamees over familiewaarden.’ We doen er verstandig aan dit te aanvaarden.

Voor het samenleven van mensen binnen een archipel van deelculturen zijn ten minste drie gedeelde principes van belang.

Een: gemeenschappelijke inzet voor en binnen de rechtstaat. De grondwet is er immers om diversiteit mogelijk te maken, niet om gelijkheid op te leggen of eenvormigheid na te streven.

Twee: tolerantie, niet in de betekenis van onverschilligheid of gedogen, maar in haar radicale opdracht: het verdedigen van het principiële recht van iedereen om het met elkaar fundamenteel oneens te zijn. Seculieren verdedigen de rechten van gelovigen met inbegrip van hun opvattingen over de verhouding tussen mannen en vrouwen; gelovigen verdedigen de rechten van ongelovigen met inbegrip van overtuigingen waaraan zij aanstoot nemen. Het recht van de een is de plicht van de ander, noemt Paul Scheffer dat. Het staat beide groeperingen vrij de anderen van het eigen gelijk te overtuigen; het staat niemand vrij de ander daartoe te dwingen. Het gaat om de kracht van argumenten, niet om de zwaarte van de macht. Het is aan sociaal werkers om emancipatiegedachten aan anderen voor te houden, niet om ze op te leggen. In een essay schreef een student: mensen willen veranderen, niet veranderd worden. Zo is het.

Drie: naleven van het universele morele gebod: behandel anderen zoals je zelf behandeld wilt worden. In de sfeer van wonen, werken en vrije tijd is het zaak gebruiken en regels te ontwikkelen die recht doen aan de diversiteit van verlangens en overtuigingen van verschillende groepen mensen die werken in hetzelfde bedrijf, leven in dezelfde wijk en sporten op hetzelfde veld. Zoals op het sportveld heftige competitie mogelijk is dankzij gemeenschappelijke spelregels, zo zijn gedeelde grondregels ook voorwaarde om vruchtbaar om te kunnen gaan met verschillende leefstijlen op het gebied van werken, wonen en deelname aan het publieke leven. Dit vergt inzet, openheid, inventiviteit en geduld – niet alleen van betrokkenen maar evenzeer van sociaal werkers van wie een actieve bijdrage zal worden gevraagd aan het oplossen van problemen die samenhangen met de diversiteit op werk- en woonplek.

In een belangwekkend betoog verdedigt Hans Boutellier dat assimilatie, participatie en behoud van identiteit drie legitieme uitgangspunten zijn voor de omgang met diversiteit – “afhankelijk van het onderwerp waarover we spreken”. Hij bepleit assimilatie ten aanzien van het rechtssysteem, participatie op het gebied van onderwijs, werk en inkomen en recht op eigen cultuur en identiteit. Een pluriforme samenleving dient oog te hebben voor ‘gepassioneerde identiteiten’: mensen kunnen en willen zich van wat hen dierbaar is niet ontdoen als betrof het een oude jas. “De identiteit is principieel vrij” (Boutellier, 2011: 99).

In een pluriforme samenleving heerst de lof van het verschil. Eenheidsdwang tussen en binnen groepen mensen moet worden tegengegaan. Zoals minderheidsgroepen binnen het geheel van de samenleving niet mogen worden gekneveld, zo mogen binnen groepen vrijheidsrechten van individuen niet aan de ketting worden gelegd. Laten we voorop stellen: de lof van het verschil is allereerst de lof van het individu.


Bronnen

Boutellier, H. (2011). De improvisatiemaatschappij. Den Haag: Boom Lemma.

Elias, N. & Scotson, J.L. (1976). De gevestigden en de buitenstaanders. Utrecht: Het Spectrum.

Eversteijn, N. (2011). “All at once”. Language choice and code switching by Turkish-

Dutch teenagers. Tilburg: Universiteit van Tilburg.

Kuipers, G. (2010). De fiets van Hare Majesteit. In: Tijdschrift Sociologie, 3.

Swaan, A. de. (2007). Bakens in niemandsland. Amsterdam: Bert Bakker.

Illustratie: Sharon van Wijngaarden

Illustratie: Sharon van Wijngaarden

Category : Artikel