In gesprek met socioloog Iliass El Hadioui

Posted at november 10, 2010 by

Met een been in het binnen en met het andere been in het buiten

Door: Bert Steenbeek en Bouchra Abdellaoui

Iliass El Hadioui werd in 1983 geboren in Maassluis. Als kind zag hij op zondag de gang van de toen overwegend protestants-christelijke bevolking naar de kerk die naast de moskee stond. Zowel het basisonderwijs als het vwo heeft hij op christelijke scholen doorlopen. Een keuze die niet werd ingegeven door de signatuur maar door de sfeer en rust die er heerste op die scholen. Door zijn interesse in de menselijke conditie wilde hij aanvankelijk psychologie studeren. Toen hij op de open dag van de Erasmus Universiteit de verkeerde zaal inliep en een inspirerend verhaal over sociologie hoorde, werd het sociologie. Inmiddels heeft hij deze studie cum laude afgerond. El Hadioui noemt zichzelf een betrokken wetenschapper wiens terrein, naast de professionele sociologie, de publieke sociologie is: wetenschappelijke inzichten naar de praktijk vertalen door de dialoog met ouders, docenten, jongeren, hulpverleners en beleidsmakers te zoeken. We spraken hem op de Erasmus Universiteit Rotterdam, afdeling Sociologie, waar hij werkt aan zijn promotieonderzoek over Rotterdamse schoolgaande jongeren tussen 16 en 27 jaar en les geeft.

Grassroots aanpak
Als student heb je in 2005 onderzoek gedaan naar Marokkaanse jongeren en overlast (Een bijzonder Marokkaanse Maassluise aanpak). Wat waren de opvallendste bevindingen?
“In de Burgemeesterswijk waar ik woonde, had een groep jongens op eigen initiatief en op vrijwillige basis een stichting opgericht. Dit waren geen welzijnswerkers maar jongens die puur op intuïtie te werk gingen en dit naast hun reguliere baan deden: jongens met een nuchtere insteek. Het doel was om jongeren die op straat leefden binnen te halen. De overlast werd in die wijk met 30% teruggebracht. Ik was sceptisch en dacht aanvankelijk aan een waterbedeffect, dus dat de jongeren in die wijk waren weggejaagd maar dat ze naar de omringende wijken gingen. De provincie vroeg naar de methodiek en die heb ik toen beschreven aan de hand van vijftien aspecten. Het is een onorthodoxe aanpak. Er werd bijvoorbeeld onderscheid gemaakt in aanpak tussen jongeren die de boel echt aan het verstieren waren en de welwillende meeloopjongeren. De eerste groep werd hard aangepakt en soms zelfs fysiek uit het gebouw gezet. Tegelijkertijd werd de tweede groep met barmhartigheid en vriendelijkheid benaderd. Die subtiele switch vond ik opvallend. Een ander aspect was dat zij het niet hielden bij klassieke amusementsactiviteiten. Ze organiseerden ook debatavonden, lezingen en computercursussen. Ik realiseerde mij later dat dit initiatief slechts 18.000 euro kostte, dat is in deze context bijna niks, eigenlijk een grap. Het was een gebouwtje dat een complete pedagogische en bijna schoolse functie in zich droeg.”

Pappen en nathouden
Hoe ben je na dit onderzoek gaan kijken naar het gevestigde welzijnswerk en de gehanteerde aanpak?
“Naar mijn mening is op dit moment het pappen en nathouden dominant aanwezig in de grote steden. Men zegt: we houden die jongens van de straat en dan zijn we er toch? Ik sta hier kritisch tegenover omdat de jongeren fysiek wel van de straat worden gehaald maar mentaal niet. Buurthuizen in wijken hebben de functie gekregen van activiteitenorganisator. Het begon voor de probleemjongeren maar nu is het voor alle jongeren in de wijk. Volstrekt gezonde jongeren met wie niets aan de hand is, zitten tussen hun 13de en 18de jaar in buurthuizen en krijgen een houding van: ‘We zijn hier bij elkaar omdat er iets aan ons kleeft en daarom worden we geholpen door de overheid’, terwijl jongeren die niet in die wijken wonen gewoon moeten betalen voor een playstation. Zo krijgen jongeren aangepraat dat zij slachtoffers zijn. Tijdens een conferentie in Utrecht stond een 21-jarige jongen op en zei: ‘Wat jij allemaal zegt is onzin, ik wil gewoon een buurthuis’. Zijn buurthuis sloot om 23 uur en dat zorgde ervoor dat hij op straat ging rondhangen en daardoor misschien wel “iets kon doen”. Mijn antwoord was dat er maatschappijen zijn waarin jongens van 21 jaar legeraanvoerder zijn of leraar. Come on! De overheid vragen om een playstation met koffie erbij voor op een doordeweekse avond. Zoiets roept om een nuchtere kijk op de zaak. Die jongen dacht zich bij die gelegenheid te kunnen veroorloven om zijn slachtofferhouding naar voren te brengen, dat het legitiem was. Het gaat mij niet om die jongen als persoon en ik wilde hem ook niet attaqueren maar hem duidelijk maken: Wake up!” Vanuit een psychologisch oogpunt kan zon fatalistische slachtofferhouding destructieve gevolgen hebben voor zijn verdere leven. Die mentale switch weg van een dergelijke houding is pijnlijk en lastig maar de realiteit gebiedt mij te constateren dat bepaalde segmenten – met de nadruk op bepaalde – van het buurthuiswerk deze grondhouding onbewust bestendigen.”

De pedagogische driehoek
Wat is jouw opgevallen in de onderzoeken die je tot nu toe hebt uitgevoerd?
“Ik ben geboeid door de bestanddelen waaruit het leven van een jongere is opgebouwd. Het is een simpele theorie die ervan uitgaat dat iedereen opgroeit in drie verschillende pedagogische settings: thuis, school en de peergroup- of straatcultuur. Ik vul die driehoek vervolgens in aan de hand van jongeren in een grootstedelijke omgeving die de kluts kwijt zijn, overlast geven en probleemgedrag vertonen. Die jongeren wonen in volkswijken zoals Rotterdam-Zuid en komen vaak uit traditionele of volksgezinnen. Traditionele gezinnen hebben vaak een migratieachtergrond. De autochtone Rotterdamse jongeren komen vaker uit echte volksgezinnen. Vervolgens hebben ze te maken met een schoolcultuur die ik heb getypeerd als feminien. Bij de ontwikkeling van nieuwe onderwijsmethoden zoals het studiehuis en competentiegericht onderwijs zie je die feminiene waarden ontstaan. Hiermee bedoel ik niet vrouwelijk of dat er vrouwen voor de klas staan maar dat de waarden feminien zijn. Zaken als zelfexpressie, zelfreflectie, zelfontplooiing en zelfstandig werken. Tegelijkertijd hebben deze jongeren te maken met een masculiene straatcultuur. Daarin staan zaken als respect afdwingen, eer en machismo centraal. Toen ik die drie werelden ben gaan analyseren, heeft dat geresulteerd in het idee van de pedagogische match of mismatch.”

De straat heeft geen adres
“Een pedagogische match betekent dat de drie werelden ongeveer in eenzelfde richting opvoeden. Het is bijvoorbeeld handig als zowel vrienden als thuis als school het halen van een diploma belangrijk vinden. Dit is niet bij iedereen het geval. Er zijn vriendengroepen waarin het belang van een diploma door de individuen wel onderschreven wordt, maar het not done is om daarmee bezig te zijn. Omdat het behalen van een diploma betekent dat je jaren moet studeren en uiteindelijk 1500 euro gaat verdienen. Hier wordt dus een tegenovergestelde pedagogische boodschap overgedragen. Als je docenten en ouders hun pijnpunten ten aanzien van de jongere laat opschrijven, dan komen zij met soortgelijke lijstjes. Docenten zitten met het overlastgevend gedrag. De ouders vooral met middelengebruik, politiecontact en verkeerde vrienden. Als je beide lijstjes uitkleedt, willen ouders en leraren hetzelfde. Dan is mijn boodschap vervolgens: maar er is een derde opvoeder in het spel die hier niet aan tafel zit. De straat heeft namelijk geen stichting of adres en je kunt de straat niet uitnodigen om te komen praten over de opvoeding van je kind. De dynamiek van de straat is onzichtbaar maar bestaat wel. Die derde partij is volop aan het opvoeden in een andere richting.”

Een thuiswedstrijd spelen op school
Wat zijn je bevindingen ten aanzien van het onderwijs aan de Rotterdamse mbo- opleidingen?
“Het is voor scholen van belang om na te denken over de eigen schoolcultuur. Feminien onderwijs werkt goed op hogescholen en universiteiten met kinderen uit de middenklasse. Maar het werkt niet altijd voor Rotterdamse jongeren uit de straten van Spangen en Vreewijk. Jongeren, en dat is pijnlijk, die gewoon niet mee kunnen komen in de middenklasse way of life en die pedagogisch niet rijp worden gemaakt voor dit schoolsysteem. De Franse socioloog Pierre Bourdieu zegt: die kinderen uit de middenklasse zijn niet per se slim of slimmer maar zijn gewoon pedagogisch rijp gemaakt en spelen een thuiswedstrijd op school. De schoolcultuur is namelijk een reflectie van de dominante thuiscultuur in de maatschappij en die is middenklasse. Voor de jongeren over wie we het nu hebben, is dat niet zo en zij maar denken dat ze dom zijn. Als de jongere uit een gezin komt, waarin achterdocht is voor alles wat intellectueel is, dan wordt het lastig op school. Hij of zij komt op grote mbo-locaties terecht en gaat werken. Niks ten nadele daarvan overigens want er komen perfecte loodgieters, bouwvakkers en kappers van het mbo. Dat zijn jongens en meisjes die hun kapitaal functioneel weten om te zetten. Maar er is ook een categorie jongeren die dat niet kan. Voor hen is de pedagogische driehoek een gevangenis.”

Bourdieu in het buurthuis
Dan zul je voortdurend botsen met die docenten en jongerenwerkers die menen dat men moet aansluiten bij de belevingswereld van de jongeren?
‘Het gaat om de manier waarop je dat doet. Als ik de theorie van Bourdieu probeer uit te leggen in buurthuizen, dan zoek ik aansluiting bij de belevingswereld van de jongeren. Jongens met gouden tanden en petjes luisteren ook muisstil naar uitleg over de pedagogische driehoek. Jongeren serieus nemen doen we pas als we hen met serieuze dingen benaderen. Ik vind niet dat ik een jongere serieus neem als ik hem een playstation aanbiedt en rapmuziek geef om zich puur te vermaken en de stille boodschap meegeef dat hij ‘ergens een probleem of achterstand heeft’. Zelfs als deze achterstand er is, dan zullen deze instrumenten die afstand niet opheffen. Integendeel, volgens mij is het belangrijk om jongeren een alternatief te bieden. Dat is dus niet mensen bezighouden of paternalistisch tegen ze zeggen: jij moet worden zoals ik. Zo heb ik gesproken met een vrouwelijke welzijnswerker die zei: ik heb zo´n hekel aan die traditionele opvoeding want die meiden moeten zo vroeg trouwen en mijn levenstaak is om die meiden uit die wereld te halen. Dan is het opeens een interessante vraag waarom we ons zelf in deze geïndividualiseerde maatschappij het recht toekennen om mensen van het huwelijk af te houden. Ik heb die mevrouw een voorstel gedaan: dat de ouders en zij even uit de weg gaan en aan het meisje wordt overgelaten wat zij zelf wil. De jeugd heeft hersenen, gevoel en meer mogelijkheden dan menig volwassene. Het gaat erom op de juiste knoppen te drukken en hen zelf keuzes te laten maken.”

Het zijn net mensen
Op de grote mbo-locaties in Rotterdam bestaat een diepe kloof tussen jongeren uit de stedelijke straatcultuur en die uit suburbane burgerculturen. Migratieachtergrond oftewel de etnische factor speelt in deze levenswijzen volgens jou een ondergeschikte rol. Menig cultureel antropoloog heeft echter de afgelopen decennia een direct verband gelegd tussen etniciteit en overlastgevend of crimineel gedrag. Denk aan Hans Werdmölder (Marokkaanse jongens en hun gezinnen in Amsterdam), Frank van Gemert (Marokkaanse jongens en hun gezinnen in Rotterdam), Livio Sansone (Creools Surinaamse jongeren uit de volksklasse en hun gezinnen in Amsterdam) en Marion van San (criminele Antilliaanse jongeren in Rotterdam en hun gezinnen). Hoe beoordeel je hun conclusies in het kader van jouw bevindingen?
“Etniciteit is een black box concept. Als je de black box zou openen van bijvoorbeeld de Marokkaanse etnische achtergrond, dan heb je meteen de scheidslijn tussen Berbers en Arabisch, hoog en laag opgeleid, traditioneel en modern, religieus en seculier en ga zo maar door. Dus het zijn net mensen. Die diversiteit accepteren we wel in de autochtone Nederlandse constellatie maar niet bij etnische minderheden. Dat zijn ook diverse mensen. Er is bijvoorbeeld een groep wetenschappers die zegt: etniciteit is uiteindelijk niks; het is een pure sociale constructie en er zijn geen patronen. En dus is er niet zoiets als etniciteit en een relatie tot schoolsucces of crimineel gedrag. Ik ga niet zover. Je hebt een andere groep die zegt: etniciteit bepaalt het gedrag van mensen. Mijn positie in dat debat is: open die black box. Kijk naar de statistieken en analyseer de situatie van de jaren zestig, zeventig en tachtig, dan zien we dat de eerste generatie Marokkaanse gastarbeiders in Nederland ondervertegenwoordigd was in de criminaliteit. Die mensen waren veel ‘etnischer’, veel Marokkaanser, net vers geïmporteerd uit het noorden van Marokko, dus die zouden volgens die theorie meer crimineel gedrag hebben moeten vertonen. Nu zitten we op een 4 tot 6 keer oververtegenwoordiging van de Marokkaans Nederlandse jongeren ten aanzien van criminaliteit. Dat is een feit en dit begint eind jaren tachtig. Wat vindt daar op dat moment plaats? Het opgroeien en puberen van die jongeren in de Nederlandse volkswijken. Afkomstig uit wat ik noem het neerwaartse integratieproces. Mijn punt is: uit die gezinnen (vanwege de specifieke socialisatie, de specifieke omstandigheden zoals grote gezinnen in kleine woningen) is een groot deel van die jongeren, in de meeste gevallen de jongens, buitenshuis opgegroeid. En dat was niet in Wassenaar. 80% van de Marokkaans Nederlandse jongeren groeit op in de Vogelaarwijken. Hun opvoeding was in de nabijheid van een stedelijke straatcultuur. We zien dat jongeren die afkomstig zijn uit soortgelijke situaties, maar die afgeschermd werden van het straatleven, wel een succesvolle schoolcarrière hebben.
Cultuur wordt voor een deel geconstrueerd en die jongens zijn echt wel ‘Marokkaans’, maar wat zie je vervolgens terugkomen: ze nemen uit de thuiscultuur het idee van eer en respect mee, maar ze geven het vervolgens een andere inhoudelijke invulling. Als ik tijdens lezingen in bijvoorbeeld moskeeën aan jongeren vraag: wat betekent respect voor jullie?, dan zeggen ze: dat je je buren niet lastig valt en je moeder verzorgt. Ik stel diezelfde vraag aan jongeren in buurthuizen en krijg het antwoord: respect? Ik moet respect krijgen en respect is als anderen geen grote mond hebben tegen mij. Beiden krijgen het idee van respect mee maar geven het vervolgens een andere invulling. De realiteit is dat die laatste categorie jongeren relatief vaak in de gevangenis terechtkomt en niet de jongens uit de moskeeën. Het publieke debat wil ons anderszins doen geloven, maar de meeste jongens uit die theologische context zijn vooral brave huismussen. Die trouwen vroeg, werken en hebben zo´n normale levensstijl dat ze niet eens opvallen.”

Taalachterstand
Gebrekkige beheersing van het Nederlands in woord en geschrift wordt in het voortgezet en hoger onderwijs nog vaak vooral etnisch geduid, bijvoorbeeld in het kader van allochtonenbeleid of diversiteitbeleid. Wat zijn op dit gebied de bevindingen van je onderzoek?
“Het onderwerp taal komt terug in mijn onderzoek. De vraag is: Wat is de achtergrond van die taalachterstand? Ik heb sterk de indruk dat de reden niet een etnische is. Het is niet zo dat deze leerlingen eloquent Marokkaans, Turks of Surinaams spreken en slecht Nederlands. De meerderheid van hen is geboren en getogen in Nederlandse volkswijken en heeft te maken met straattaal en msn-taal. We hebben te maken met Rotterdamse vmbo- en mbo-docenten die aan het eind van de opleiding zeggen: mijn leerlingen hebben nog nooit een boek uitgelezen. Hier moet je in de schoolcultuur iets mee doen. Maar het opdelen langs etnische lijnen kan een kunstmatige zijn, want je hebt veel autochtone Rotterdamse jongeren die een taalachterstand hebben. Ik zou graag naar een universele benadering willen, zonder overigens ‘blind’ te zijn voor taalkwesties die sowieso samenhangen met migratie.”

Gevarieerd burgerschap
Je hebt ook hbo-studenten geïnterviewd. De Hogeschool Rotterdam heeft enige jaren geleden peercoaching ingevoerd. Sinds het studiejaar 2009-2010 bestaat peercoaching voor en door Marokkaans Nederlandse en Turks Nederlandse studenten. Hoe verhoudt jouw universele benadering zich tot deze categorale vorm van studieondersteuning?
“In dit specifieke geval heb je te maken met studenten in een schoolcultuur die een complete reflectie is van de autochtone suburbane middenklasse. Nu kan het zijn dat een individu daarin functioneel en qua intelligentie wel mee kan komen maar allerlei belemmeringen tegenkomt die hij of zij niet kan overzien of oplossen. Ook onder mijn studenten zijn er jongeren met een Marokkaanse en Turkse achtergrond die eerder naar mij toe zullen komen voor bepaalde vragen. Niet over tentamens, maar meer over: Weet je waar ik zo’n boek kan krijgen? Jongeren met een academisch niveau, maar die bijvoorbeeld van huis uit niet uit een leescultuur komen. Mensen die bij elkaar komen voor een gevoel van veiligheid en andere positieve zaken, daar is niks mis mee. Dat zien we bijvoorbeeld bij islamitische of andere studentenverenigingen die op eigen initiatief en met eigen middelen ontstaan. Dat is de multiculturele maatschappij die tot uiting komt in de instituties. Dat is de civil society en precies het burgerschap dat juist nodig is. Als mensen op vrijwillige basis en met een constructieve houding elkaar willen ontmoeten dan onderschrijf ik dat helemaal. Maar als door een schoolleiding met een top-downbenadering wordt besloten: wij gaan jullie klas opdelen in etnische groepjes en dan gaan we jullie problemen bespreken, dan heb ik daar een probleem mee want de problemen van dat bewuste groepje zijn veel breder. Ik doe geen onderzoek naar Marokkaanse en Turkse jongeren maar naar Rotterdamse jongeren. Ik ben juist geïnteresseerd in het stadssociologische perspectief en ben ervan overtuigd dat het opgroeien in de stad en de gevolgen daarvan de crux is.”

Insluiting en uitsluiting
Hoe zie je jouw werk in het licht van het huidige politieke debat?
“Het eigenlijke onderwerp van mijn promotieonderzoek is de sociale uitsluitingervaring en identificatie met de maatschappij van de jongeren. Ik ben bezig met de ontwikkeling van concepten waarbij het ook gaat over het ressentiment dat op dit moment aanwezig is. Ik ben op zoek naar de pijnpunten bij die jongerenpopulatie. Wat is het moment dat zij bepaalde groepen buiten de maatschappij plaatsen en wat is het moment dat zij zichzelf binnen of buiten de maatschappij plaatsen? Ik ben als het ware op zoek naar het ‘binnenstebuiten van de maatschappij’, om met de Rotterdamse socioloog Schinkel te spreken. De sfeer op dit moment heeft alles te maken met insluiting en uitsluiting en is daarom onderzoekstechnisch interessant, maar politiek, nee, daar doe ik niets mee. Wie aan politiek doet staat te veel binnen en is niet meer in staat om te zien hoe het er daarbinnen aan toe gaat vanuit het perspectief van buiten de maatschappij. Die buitenpositie is niet helemaal mogelijk maar het is wel het streven waard. Wanneer ik professionele sociologie bedrijf dan is die buitenpositie zelfs noodzakelijk, dan analyseer ik, dan probeer ik de sociale dynamiek te vatten. Wanneer ik publieke sociologie bedrijf dan sta ik zogezegd met een been in het binnen en met het andere been in het buiten. Dan is mijn intentie om het publieke debat te voeden. Maar dat is nog iets anders dan het voeren van dat debat. Wie het debat echt voert, wie alleen spreekt zonder te observeren, wie de wetenschappelijke kennis verlaat, staat uiteindelijk definitief binnen. Dat is mijn plek niet, als mens niet en als socioloog niet. Ik sta liever buiten. Vanuit dat buiten observeer ik een politieke dynamiek van polarisatie.”

Onderwijs doet soms pijn
Wat is dan slim?
“Dat noem ik het formuleren van rode lijnen. Dat zijn bepaalde zaken waar niet over onderhandeld kan worden. In geen enkele schoolcultuur vindt men dat een leerling zijn vrouwelijke docent kan uitschelden. Dat is een overtreding van die rode lijn. De functionele methode is: strikt tegenover mensen die niet willen en vriendelijkheid betrachten bij mensen die welwillend zijn. Daarnaast nooit naar beneden grijpen als docent maar de leerling naar boven laten grijpen. Een docent die met zijn studenten op Hyves zit en hen begroet met een boks, die grijpt naar beneden. Die docent denkt dat hij een rolmodel is maar de jongeren hebben helemaal geen ‘respect’ voor hem als docent. Wel als mens maar niet als docent. Dat is het paradoxale: ze hebben respect voor die authentieke en kundige docent. Die docent met de boks is een vriend geworden en daarom doen ze aardig. Vaak liggen er wel hele nobele intenties aan ten grondslag, namelijk echt contact maken met de leerling. Maar onderwijs gaat ook over andere dingen. Onderwijs doet soms ook pijn. Het betekent ook een 4 geven, iemand de les lezen, tegen iemand zeggen: nu heb je het radicaal mis en we gaan alternatieven zoeken. Intelligent is ook het bieden van een alternatief. Onderwijs is niet: we openen de schooldeuren en jongens kom maar binnen met alle gedragingen die er zijn. Dan gaan dingen wringen, zoals op bepaalde onderwijsinstellingen waar ik tijdens mijn onderzoek veel tijd heb doorgebracht. De studieboeken bevatten hoofdstukken over sporten en verantwoord eten maar in de kantine en op het schoolplein worden vervolgens frikadellen, patat, Turkse pizza en shoarma verkocht. Dan is sprake van een soort van pedagogische schizofrenie.”

Het nieuwe wij
Je hebt in een artikel in het tijdschrift Volzin. Tijdschrift voor zinvol leven (oktober 2009) een filosofisch idee over ‘het nieuwe wij’. Wat is dat idee?
“Het idee van het nieuwe wij is dat je vaststelt dat we een pluriforme maatschappij zijn en vervolgens de vraag stelt: Wat zijn dan de universele punten waarop de mensen elkaar kunnen vinden en met elkaar kunnen samenwerken? De opvatting van sommige mensen is dat we de maatschappij moeten opdelen in verschillende etnische groeperingen, terwijl wat we feitelijk nodig hebben zijn: goede artsen, verplegers, docenten, ondernemers en tramconducteurs. Die functionele laag van de maatschappij ontdoet zich namelijk van de kunstmatige discussie langs etnische lijnen. Als ik in mijn huis een keuken laat plaatsen dan krijg ik een economische verbinding met diegene die dat doet en het maakt daarbij niet uit wat ik of hij denkt. Alleen functionaliteit en ambachtelijke kennis spelen op dat moment een rol. Dus ik denk dat daar waar in de sociale sector dingen niet opgelost kunnen worden, ze gedeeltelijk ‘opgelost’ zullen worden binnen de economie. Althans, ze zijn daar geen issue. Als de Turkse ondernemers bijvoorbeeld besluiten om massaal te vertrekken dan heeft Nederland een probleem, er ebben miljarden weg. De Nederlandse maatschappij lijkt daarmee voortdurend een inherente discrepantie te ervaren: de economische dimensie dwingt tot maatschappelijke eenheid en interetnische interacties, terwijl in de sociale dimensie deze zaken geproblematiseerd worden.”


Iliass El Hadioui zal zijn promotieonderzoek over Rotterdamse schoolgaande jongeren tussen 17 en 25 jaar in 2011 afronden. Enkele van zijn belangrijkste essays:
Marokkaanse jongeren en overlast. Een bijzonder Marokkaans-Maassluise aanpak (samen met Abdelkader Salhi; Maassluis: Stimulans, Centrum voor Maatschappelijke Ontwikkeling, 2005)
Hoe de straat de school binnendringt. (Utrecht: APS, 2008)
De Straten-Generaal van Rotterdam. Naar een stadssociologisch perspectief op jeugdculturen, in: Pedagogiek, 30 (1) 26-42
Hoe de straat de school binnendringt. Denken vanuit de pedagogische driehoek (verwacht in 2011)

Illustratie: Brent Wouda

Category : Interview